Willy Oberhofer (1938) is geboren en getogen in Arnhem. Ze is zeventig jaar lid geweest bij de Arnhemse watersportvereniging Jason, die in 2027 haar honderdjarig bestaan viert. Hoe kijkt deze goedlachse kanoër terug op haar tijd bij de vereniging?
“Ik ben altijd aan het water verknocht geweest. Als kind zat ik al met een schepnetje in de sloot te roeren om stekelbaarsjes te vangen. Ik heb mezelf leren zwemmen in de Rijn en de Waal. Dan liep je een eindje het water in met je vriendinnetjes, en dan spartelde je maar wat tot je zwom. Het was niet fraai, maar je leerde het wel. Als je me nu zou vragen om de rivier over te zwemmen, dan zou ik daar geen moeite mee hebben. Die liefde voor het water is overgebracht door mijn ouders. Zij hadden voor de oorlog een boot en leerden elkaar kennen bij de kano.”
“In de jaren ’50, toen ik een jaar of vijftien was, ging ik roeien bij Jason. Je moest toen eerst voorgesteld worden, het had iets elitairs. Jason was een burgerroeivereniging, maar bij wedstrijden roeiden we tegen studentenverenigingen. Die vonden het niet leuk als wij op de eerste of tweede plaats kwamen. We moesten toen nog stijlroeien, dat moest allemaal echt perfect zijn. Het was hard werken, maar het was leuk als je in de prijzen viel.”
“Eigenlijk was ik het eerste kano-lid. In de periode dat ik lid werd, werd er niet gekanood bij Jason. Roeien of kanoën? Dat is appels met peren vergelijken. Ik heb veel geroeid. Maar in de roeiboot had ik altijd de neiging om achterom te kijken. In een kano kijk je vooruit, je kiest een doel en je weet waar je naartoe gaat. Je hebt direct contact met het water. Je stuurt met je lichaam en de kano reageert meteen. Je voelt wat de onderlagen van het water doen. Het ene moment moet je echt trekken, het andere moment kun je varen zonder inspanning. Je bent constant bezig.”
“In de jaren ’80 had je de metaalfabrikant Billiton, die loosde in de haven. Verschrikkelijk. Het water dat uit dat riool kwam was pikzwart. Lagen olie. Ik had toen een zeilbootje in de haven liggen, die moest je eerst goed boenen. Daarna moest je door allemaal olieplassen heen varen. Overigens zwommen we in die tijd gewoon in de haven. Om de olie heen, in het ‘schone’ water. Ik heb er niks aan overgehouden.”
“Tegenwoordig hebben ze bij het kanoën allemaal regels. Je moet overal vinkjes zetten, een papiertje hebben. Toen wij in de jaren ‘80 begonnen met kanoën bij Jason was het anders. Het was wat losser allemaal, wat makkelijker. Je begon gewoon en je wist wat je kon. Tegenwoordig vaart de snelste op kop. Als wij gingen kanoën met een groep, dan gaf de langzaamste het tempo aan. Ieder mens is anders. Soms hebben ze meer tijd nodig. Je moet het spelenderwijs leren. De techniek komt wel.”
“Toen ik net lid was, was het druk rondom het botenhuis. Mensen waren wat meer betrokken, spraken wat meer met elkaar. We zaten om zeven uur ’s ochtends op het botenhuis om te trainen. Daarna ging je door naar je werk. Ik denk dat mensen tegenwoordig veel andere prioriteiten hebben. Dat is er door de tijd heen langzaam ingeslopen. Er is zo veel te doen... Vroeger had je eigenlijk alleen het water.”
“Mijn mooiste herinnering van zeventig jaar Jason? De zonsondergang. En de leukste? Die ene keer dat ik met mijn kano een kalf naar de kant heb gebracht. Die beestjes worden in het voorjaar uitgelaten op de landtong bij de haven en dat kalf huppelde zo het water in. Het stroomde nogal hard en hij kwam me tegemoet. Ik heb hem met mijn boot naar de overkant kunnen duwen, waar hij op de kant kon krabbelen. Toen heb ik later die boer gebeld dat één van zijn kalveren op de andere oever stond. Daar stond hij wel van te kijken. Ook heb ik een keer met hoog water een haas uit het water gehaald en onder het spatzeil geduwd. Dat is niet alles, zo’n doornatte haas in je kano, die zit te krabben... Maar ja, je laat zo’n beest ook niet verdrinken. Meestal ging het er trouwens rustiger aan toe, hoor!”
“Ik weet niet wat de toekomst brengen zal voor Jason. Misschien dat ze ooit moeten verhuizen uit de Nieuwe Haven, vanwege de commercie. Zelf ben ik blij dat ik altijd in de haven heb kunnen varen. De vereniging heeft veel betekend voor mij. Het water is voor mij altijd de hoofdmoot geweest, eigenlijk nog steeds. Dat klinkt misschien saai, maar als ik nu naar buiten kijk en ik zie de Rijn glinsteren met de zon erop, dan denk ik: wat is het toch mooi!”
Marieke Jager, CC-BY