“Je zat in die molen en je draaide gewoon mee”

Truus Jonkman over werken, trouwen en de rol van vrouwen in de jaren vijftig

Truus Jonkman begon op haar vijftiende met werken. Niet in de gezinsverzorging, zoals de huishoudschool voor haar in gedachten had, maar in de fabriek. Later werkte ze in werkhuizen, op kantoren en thuis. Haar verhaal laat zien hoe vanzelfsprekend de rol van vrouwen was in de jaren vijftig. Vrouwen zorgden, poetsten, spaarden.

Naar de fabriek

“Ik zat op de huishoudschool. Daar kon je huishoudelijk werk mee gaan doen, of gezinsverzorgster worden. Maar dat wilde ik niet. Ik wilde naar de fabriek. Mijn nichtjes werkten bij Spencer-Heij. Die stond heel goed bekend in Culemborg. Het was een grote fabriek hoor. Daar werkten veel mensen. Ik ging er ook werken en had het ontzettend naar mijn zin. Alles vond ik leuk. Een groepje meiden onder elkaar, dat was heel gezellig.

Ik werkte op de spoelerij. We moesten strengen wol op een wiel doen. Die wol ging dan op houten klossen verder de fabriek in. Naar de breierij, de confectie, de perserij en het magazijn.”

Machines in de Spencer-Hey fabriek - Regionaal Archief Rivierenland, alle rechten voorbehouden

Werken op punten

“Het waren lange dagen. En ‘s zaterdags werkten we ook nog. Later hoefde dat niet meer en dat was feest. Wij stonden de hele dag. Je werkte op punten. Hoe meer je deed, hoe meer punten je had en hoe meer geld je kreeg. Natuurlijk wilde je met het meeste geld naar huis.

Het was gezellig. De radio stond aan, ‘Arbeidsvitaminen’. Om tien uur had je pauze. Dan kon je koffie krijgen, maar daar moest je een bonnetje voor inleveren. Zo’n bonnenboekje kostte een gulden. Voor koffie gaf je één bonnetje, voor een koek twee.”

Trouwen betekende stoppen

“Toen ik twintig was, ben ik getrouwd. En als je ging trouwen, moest je weg. Dat was toen bij meer fabrieken zo. Ik wist dat van tevoren, maar ik vond het best jammer. Ik had graag willen blijven. Van de ene op de andere dag zat ik thuis. Maar ik zocht wel weer wat op. Ik ging bij mensen thuis werken. Werkhuizen noemden ze dat. Eerst deed ik dat erbij, toen ik nog op de fabriek zat. Op maandagavond snel eten en dan op de fiets naar mevrouw Verwoerd. Later bleef ik dat doen.”

Eigen gang gaan

“Voor mij was het bijverdienen. Voor hen was het hulp. Maar na al die jaren werd je met sommige mensen een beetje familie. Bij één gezin ben ik meer dan achttien jaar geweest. Ik had de sleutel en kwam ’s morgens zelf binnen. Ze hoefden nooit te zeggen wat ik moest doen. Ik ging mijn eigen gang.

Als ze op vakantie waren, belden ze soms. Ze overlegden ook dingen met mij. Met Kerstmis of voor de vakantie kreeg ik wat extra’s. Dat hoefden ze niet te doen, maar ze deden het wel. Na hun overlijden heb ik van de dochter geld gekregen. Daar heb ik een auto van kunnen houden.”

Op de klok leven

“Ik had een heleboel werkhuizen. Ook kantoren. Overdag werkte ik bij families en ’s avonds van zes tot acht op kantoren, als de werkdag daar voorbij was. Bij de families deed ik het zwaardere huishoudelijke werk: ramen zemen, koper en zilver poetsen, schrobben en alles netjes bijhouden. Thuis moest het natuurlijk ook allemaal gebeuren. Ik leefde echt op de klok. Mijn dag begon om half negen en eindigde om een uur of acht. Dan was ik wel moe, dat zeg ik eerlijk. Maar ik vond dat toen heel normaal. Je zat in die molen en je draaide gewoon mee. Nu zou ik zeggen: ik had het niet moeten doen. Maar toen was het normaal.”

Een man hoeft niks te doen

“Mijn man was vrachtwagenchauffeur. Hij was ’s morgens vroeg weg en ’s avonds laat thuis. Hij deed niks in huis. Eieren koken, dat kon hij. Voor de rest niets. Een man hoeft niks te doen, vond ik.

Mijn schoonzoon ging een keer koffiezetten. Toen zei ik: dat hoeft een man toch niet te doen? Maar mijn dochter zegt dat haar man ook wel wat mag doen, want zij werkt ook. Zij doen het samen.

Achteraf denk ik: ik had niet zoveel moeten werken. Ik had meer leuke dingen moeten doen. Maar ja, achteraf is te laat.”

Zuinig op andermans spullen

“Mijn moeder heeft ook hard gewerkt. Zij zei altijd: doe alsof de spullen van jou zijn. Wees er zuinig op. Zo is het mij geleerd. Nu heb ik zelf hulp. Dan moet ik niet kijken. Ze werken anders. Als ik vraag of ze de plintjes even willen doen, kijken ze soms van: o? Ze weten niet altijd dat dat erbij hoort. Vroeger was niet alles beter. Je had geen wasmachine, je moest veel zelf doen. Maar het was wel gemoedelijker. Dat vind ik nog steeds.”


Rechten

Dianne Duijs en Huub Baijens, Regionaal Archief Rivierenland - alle rechten voorbehouden, CC-BY-SA

  • Sprekende Herinneringen

  • Werk

  • 1950-2000

  • Culemborg

  • Archieven

  • Rivierengebied

Relevante links

Verwante verhalen

Lees meer

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

info@mijngelderland.nl

Inschrijven nieuwsbrief

mijnGelderland Sociale media

erfgoed gelderland

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

E info@mijngelderland.nl