Ria Kester koos in 1958 voor Huishoudwetenschap in Wageningen

Geïnspireerd door de vakkennis die nodig is voor het veelzijdige vak van boerin

De mooiste tijd van haar leven was voor Ria Kester-Horstink (1938) de studietijd in Wageningen. Na een gelukkige jeugd in een groot boerengezin in Olburgen begon ze daar in 1958 aan de studie Huishoudwetenschappen. Thuis had ze als oudste dochter al veel moeten helpen en gezien hoeveel kennis er nodig is voor het werk van een boerin. Ze genoot van de studie en het studentenleven, was actief in twee studentenverenigingen, die voor Wageningse Vrouwelijke studenten en de Katholieke. Daar leerde ze in het tweede jaar van haar studie haar man Joop kennen.

Nadat de jongste van haar vier zonen naar school ging is ze aan het werk gegaan. Iets wat in die tijd helemaal niet zo normaal was voor getrouwde vrouwen en zelfs niet voor wetenschappelijk opgeleide vrouwen. Naast gezin en werk was ze actief in besturen en in vrouwenemancipatie. Ook na die tijd is ze altijd heel sportief gebleven en actief in het verenigingsleven. Ze woont al ruim 45 jaar in haar sfeervolle huis met grote tuin en mooi uitzicht in Bennekom waar begin 2024 haar man is overleden.

“Ik ben geboren in een heel klein plaatsje Olburgen aan de IJssel tegenover Dieren. Het is een heel hechte katholieke gemeenschap. Ik kom uit een gezin met negen kinderen en was ongeveer de middelste. Wij hadden een katholieke school met een hele goede hoofdonderwijzer. Aan de juffrouw van de eerste jaren heb ik nog goede herinneringen. Omdat ik snel was met rekenen en taal, mocht ik andere kinderen helpen.

Mijn moeder was er erg op gefocust dat de kinderen goed leerden werken thuis en op de boerderij. Maar zij moesten zich ook verder ontwikkelen. In de eerste jeugdjaren was dat voornamelijk gericht op lichamelijke ontwikkeling. Zo was er een rekstok, een schommel en allerlei klimdingen in de tuin. We kregen ruimte en tijd om thuis met elkaar te spelen en op zondag met neefjes en nichtjes. We deden allerlei spelletjes en ook wel gevaarlijke dingen zoals springen vanaf het hooi, tussen de hanenbalken.

Maar we moesten natuurlijk ook helpen. Op zaterdag moest ik het grint voor het huis harken en doordeweeks helpen in de groentetuin. Toen ik ouder was moest ik ook helpen met ramenzemen en de was. Op zondagavond ging de was in een grote kookketel die op maandag allemaal met de hand werd gewassen. Op het laatst werden de sokken gewassen in de laatste spoelgang. Overdag gingen wij naar school en merkten daar niet veel van.

Moeder deed al die was nadat ze het kleinvee had gevoerd. De was werd gedroogd aan de waslijn of op de bleek en afhankelijk van het weer op kleine rekjes in de woonkamer. Op dinsdag moest er worden gestreken. Daar werd ik ook vaak bij ingeschakeld. Als oudste dochter heb ik heel goed leren strijken en ik kan nog altijd twee overhemden strijken in vijf minuten.

Elke week moesten we helpen schoonmaken van het huis plus alle ruimtes die te maken hadden met de melkgift van de koeien. Die melkspullen moesten heel goed schoongemaakt en geschuurd worden. In het voorjaar was er nog de grote schoonmaak. Dat was zo ongezellig, dan stond alles op z'n kop, vreselijk. Daarna kon het nog best wel eens koud zijn, maar de kachel werd dan niet meer aangestoken.

De broer boven me, de derde, was al eerder ingeschakeld bij het huishoudelijke werk. Hij vond dat eigenlijk niet leuk en hielp liever op het bedrijf. Maar de twee oudsten waren daar al bezig. Later bleek dat mijn zus die vijf jaar jonger was minder hoefde te helpen. Zij mocht paardrijden en dat heb ik nooit gedaan.”

In oorlog voor veel mensen koken

Het was een oude mooie statige boerderij met een groot voorhuis. In de oorlogstijd hadden we een kamer beschikbaar voor evacuees uit Hilversum. Er logeerde een musicus die de kinderen in de buurt pianoles gaf en voor de kerk kinder- en volwassenkoren regelde.

We hebben niet zoveel slechte herinneringen aan de oorlog en werden er een beetje buiten gehouden. Maar mijn moeder moest ook eten koken voor Amersfoortse spitters, mensen die als dwangarbeid loopgraven moesten graven bij ons in de buurt. Dat was best wel zwaar voor haar. Zij had al de zorg voor haar eigen gezin en de evacuees en dat naast de taken voor boerderij, tuin en voedselvoorziening.

Bij de slacht werden wij ook ingeschakeld. Als er een varken of een vaars werd geslacht dan moest dat in een paar dagen tijd worden verwerkt. Het was een heel drukke tijd. Er kwam een slager om te slachten en uit te benen. Maar wat een vakmanschap hadden die vrouwen om het vlees na de slacht te conserveren in zo'n korte tijd. Dat is knap hoor!

Ze wisten hoe het vlees te pekelen in een zoutbad, te drogen of er worst te maken en ook hoe het te wekken of te roken. Dat rookvlees noemden we nagelhout en werd in de keuken gehangen om te drogen. Er werd leverworst gemaakt en gewone worst wat allemaal in darmen ging die eerst goed moesten worden schoongemaakt. Ook was kennis nodig over de verwerking van groenten en fruit, dat in de tuin overdadig aanwezig was, zoals zelf zuurkool maken en fruit verwerken. Het is bewonderenswaardig wat die vrouwen allemaal konden.

Naar het gymnasium in de grote stad

De hoofdonderwijzer van de dorpsschool zag dat de meesten van ons gezin zouden moeten doorleren. Mijn moeder zat er bij ons wel achterheen. Vroeger had zij zelf het advies gekregen naar kweekschool te gaan, maar ze wilde liever boerin worden. In onze tijd was er net het Katholiek Gelders Lyceum in Arnhem, dat graag kinderen wilde binnenhalen als emancipatie van het katholieke volksdeel.

Op de lagere school kregen we geen extra voorbereiding op die middelbare school. In wat toen de zesde klas was kregen alle kinderen hetzelfde. Wel moesten we voor een proefperiode van vier weken naar dat lyceum in Arnhem. Daar kregen we voor mij onbekende vakken, zoals Latijn en wiskunde. Die proefperiode werd afgesloten met een examentje. Daarna werd ik ingeschaald voor het gymnasium.

Elke dag gingen we met een clubje naar Arnhem waar ook neven en nichten bij waren. Fietsen hadden we niet. We liepen anderhalve kilometer met zware boekentassen naar het veer over de IJssel naar Dieren. Daar liepen we nog vijfhonderd meter naar de bushalte voor de bus naar Arnhem die voor school stopte.

Die veerpont lag er wel eens uit met hoog water en dan werden we overgeroeid. Wanneer alles onder water stond, werd er een taxi geregeld om ons naar Doesburg te brengen om daar op de bus te stappen.

In de puberjaren ging ik stiekem in bed lezen met een lichtje. Dan sliep veel te weinig en werd zo moe dat het me allemaal te veel werd in de vijfde klas. Mijn broer zat in de vierde klas hbs en had hetzelfde. Toen is besloten dat we dat jaar beter konden overdoen.

Het jaar daarna had ik bij het eindexamen een heel goede lijst waarmee ik in aanmerking kwam voor een beurs. Zelf kreeg ik een beurs en mijn broer een renteloos voorschot. Dat deden ze toen voor jongens, want die waren eerder in staat om dat terug te betalen dan meisjes.

Studie in Wageningen

Ik koos voor Huishoudwetenscheppen in Wageningen vanwege mijn belangstelling voor voeding en wat daar allemaal bij komt kijken, schoonmaken en dat hele huishoudelijk gebeuren. Het was een nieuwe studierichting die in 1953 begon met Professor Visser als eerste hoogleraar. Ik kende die studie via contacten met de Boerinnenbond.

Ik had nichtjes die Huishoudlerares werden, maar ik wilde graag een wetenschappelijke opleiding doen. Dat trok mij aan, want ik was goed in exacte vakken. Bij het eindexamen waren bij de mondelinge vakken wiskunde, scheikunde en natuurkunde hoogleraren aanwezig als gecommitteerden.

Die mengden zich ook in de discussie over de opgaves die je moest uitwerken. Als gecommitteerde voor wiskunde had ik Freudental, een bekende hoogleraar wiskunde uit Utrecht. Hij wilde mij naar Utrecht hebben, maar ik wilde naar Wageningen.

In 1958 kwam ik daar aan als een van de 44 vrouwelijke studenten. Zeven daarvan werden lid van de katholieke studentenvereniging Franciscus. Daarvan deden er vier Huishoudwetenschappen.

Als meisjes hadden we een dubbellidmaatschap. Ik werd lid van de Wageningse Vrouwelijke Studentenvereniging (WVSV) en van de Katholieke Studentenvereniging (KSV). We waren gedeeld lid en konden dus niet alles meemaken. Ik had meer met de Wageningse vrouwenvereniging waar ik een bestuursjaar heb gedaan.

Ik herinner me nog de kennismakingstijd. Dan stonden we allemaal op een tennisbaan, aan de ene kant stonden de jongens van het corps (Ceres) en aan de andere kant de meisjes. Wij hadden hoedjes op en de jongens hadden allemaal kale hoofden en petjes op.

We moesten mengen, maar alles ging heel verplichtend en dat vonden we helemaal niet leuk. Ook bij de katholieke vereniging was er groentijd. Het belangrijkste vond ik de bezoeken die je moest afleggen bij ouderejaars. Die zocht je dan op en daar had je gesprekken mee. Zo leerde ik Wageningen kennen.

We moesten een heel roestig hek afschuren en met al die 44 meisjes zijn veel aan het schuren geweest. Ik ben van beide verenigingen lid gebleven en heb Joop ontmoet bij KSV.

De studie vond ik interessant, maar ik koos uiteindelijk voor de sociaaleconomische kant en niet de exacte voedingskant. Voeding hoorde toen nog bij Huishoudkunde met een heel goede hoogleraar Den Hartog. Hij gaf de meer sociaalwetenschappelijke vakken en deed ook de technische natuurwetenschappelijke kant. Ik vond hem een heel aimabele hoogleraar Voeding.

Sociologie, in dit geval gezinssociologie, had ik van Kooi. Voor Huishoudwetenschappen gaf Willinge Prins-Visser, Leiding en Beheer in de huishouding. Voor het vak Wonen was dat architect Van Leeuwen en Gezondheidszorg deed hoogleraar Tess en we kregen Economie van Teurlings.

Het propedeuse-examen was voor iedereen in Wageningen hetzelfde met Plantkunde, twee keer Scheikunde, fysische en organische chemie plus Economie en Wiskunde. Dat heb ik wel in een jaar gehaald, maar je moest er best hard voor werken. Daarna ging je kandidaats doen.

Ik heb altijd een beurs gehad en moest ik elk jaar overleggen met de studentendecaan in Wageningen over de vakken die ik had gedaan. Er werd wel gecontroleerd hoor. Ik heb een tussenjaar gedaan in de Huishoudcommissie van de Wageningse vrouwelijke studentenvereniging en kon toen minder tentamens doen. Daarvoor kreeg ik ontheffing.

Stage

Bij de studie hoorde een stage. Degenen die niet van een boerderij kwamen moesten naar een boerderij. Ik heb meegelopen met iemand die voorlichting gaf in Noord-Holland.

Maar ik heb ook een buitenlandse stage gedaan in Joegoslavië. Daar was ik samen met studiegenoot Jeanne van Wingerden. Samen gingen we naar het toenmalige communistische Joegoslavië, naar de grote steden van al die landen daar om te kijken hoe het huishouden er daar uitzag.

In Amerika was huishoudonderwijs, voeding, schoonmaken en dat soort dingen, geïntegreerd in het algemeen basisonderwijs. Bij ons was dat niet, onze hoogleraren wilden dat wel en in Joegoslavië was dat al opgezet.

We hebben toen een maand of drie door Joegoslavië getrokken, van Slovenië tot Servië en moesten een verslag maken. We hadden interessante excursies. Zo gingen we naar Normandië met huishoudkundigen, sociologen en een paar hoogleraren. We bezochten boerderijen en leerden de docenten beter kennen en meer waarderen.

We hebben ook wel praktisch onderzoek gehad, zoals over bloedonderzoek en dierproeven. Dat zat bij Veeteelt, waar je toen nog je eigen bloed moest onderzoeken. Twee jaar eerder had een neef van mij dat ook gedaan en die ontdekte toen dat hij te veel leukocyten in zijn bloed had waaraan hij kort daarna is gestorven.

Wonen en afstuderen

We woonden allemaal op kamers. Ik heb met drie studiegenoten in huis gewoond, dichtbij Hotel de Wereld en het oorlogsmonument daar. [foto] We hadden daar een hospita waar je niet zoveel mee te maken had.

Later heb ik aan de Grintweg gewoond waar ik echt werd gevolgd door de hospita. Toen ik commissiewerk deed waren er avonden dat ik laat terugkwam. Ze hield me altijd in de gaten.

Wanneer we als commissie overleg hadden dan moest de een na de ander altijd naar toilet. Die hospita was daar verontwaardigd en boos over en zag het met mij niet meer zo zitten. Toen we afzwaaiden als huishoudcommissie zijn we met z'n vijven naar het Uddelermeer gegaan om daar de zonsopgang te bekijken. Toen ik 's morgens vroeg thuiskwam barstte de bom en moest ik weg.

Ik heb ook bij een heel aardige familie gewoond en in die tijd heb ik Joop ontmoet. Ik was tweedejaars, hij was vierdejaars. Het betekende dat je in de weekenden veel over en weer bij beide families bent.

Hij was eerder afgestudeerd in Cultuurtechniek en kreeg een baan boven Dokkum waar hij een woning kon krijgen. Ik moest nog een jaar studeren. Wij wilden wel trouwen en naar het noorden gaan. Mijn moeder was daar heel erg op tegen. Zij dacht dat ik dan zou stoppen met mijn studie.

Ik zette dat plan gewoon door. We trouwden in 1965, gingen in Dokkum wonen waar na een jaar de eerste zoon kwam. Toen kreeg ik het Spaans benauwd over het afstuderen, er komt dan zoveel op je af.

Joop moest regelmatig naar Wageningen voor zijn werk en dan kon ik mee. Bij de geboorte van een kind kreeg ik van de hoogleraren prachtige brieven met ‘Weledelgeboren vrouwe’ met een mooi verhaal helemaal in stijl.

Toen ik een keer voor de scriptie kwam hoorde ik ‘wat bent u mooi slank gebleven’ en toen was ik al in verwachting van de tweede. En dat durfde ik niet eens te zeggen. Maar voordat de tweede zoon kwam was ik in september 1966 afgestudeerd.

Direct daarna was Joop klaar met zijn onderzoekswerk in Friesland en hebben we een huis gekocht in Ede. Daar zijn nog twee kinderen geboren. Ik ben thuisgebleven tot de jongste naar de kleuterschool ging.

Aan het werk als studiecoördinator

Toen heb ik werk gevonden in Wageningen waar ik studieleidster werd bij een vervolgopleiding voor huishoudleraressen om een hogere onderwijsbevoegdheid te halen. Het was een coördinerende functie waarin ik de vakken scheikunde, natuurkunde plus voeding en wonen op elkaar afstemde door te regelen dat er hoogleraren of wetenschappelijke medewerkers waren.

Daar had ik goede contacten mee had omdat ik er gestudeerd had. Het coördineren kon telefonisch en dat was ook mogelijk van huis uit en ik hoefde er niet hele dagen te zijn. Het was een mooie eerste functie.

Totdat begin jaren zeventig de nieuwe lerarenopleiding kwam en alles anders werd. De N-actes, de opleidingen voor huishoudleraressen, werden afgebouwd. Zo hield na een jaar of zes mijn functie op te bestaan.

Sommige vrouwelijke studenten kozen in 1966 na hun studie ervoor om niet te gaan werken

Onderzoek naar beroepsgeoriënteerdheid

De afstudeeropdracht van Ria Kester-Horstink aan de universiteit ging over de beroepsgeoriënteerdheid onder vrouwelijke studenten. Uit een enquête bij studenten vlak voor hun afstuderen kwam naar voren dat er drie groepen vrouwen waren: een die echt wilden gaan werken, een andere liet het in het midden. En een derde groep was niet van plan om na hun wetenschappelijke studie te gaan werken.

Toen de vier jongens groter werden hadden die meer speelruimte nodig. Toen zijn we verhuisd naar Bennekom. We hebben tien jaar in Ede gewoond met een tuintje. Joop had van alles gemaakt, een schommel, rekstokken en zandbak. Het was er altijd vol, met buurmeisjes die bij ons in de tuin kwamen spelen.

Ook het schuurtje werd te klein voor alle fietsen. Toen de oudste naar het Marnixcollege in Ede ging zijn we in 1978 verhuisd naar Bennekom. Het was een heel klein huis, ooit boerderijtje geweest, met een woonkamer. In de slaapkamer rook je nog stallucht. Het was te klein.

Daarom hebben we in 1980 een aanbouw gemaakt en alles laten isoleren. Pas daarna voelde ik me er thuis. De kinderen hadden er met de grote tuin veel ruimte bijgekregen waar ze heerlijk hebben gespeeld.

In die tijd ben ik actief geweest binnen de politiek. Bij het CDA-vrouwenberaad kwam ik met vrouwenemancipatie in contact. In Ede was een groep actief waar we boeken lazen zoals feministische literatuur. We kwamen een keer in de maand bij elkaar bij iemand thuis.

Er waren er die uit Utrecht, Wageningen, Nijmegen en Eindhoven kwamen. Af en toe kwam er een docent uit Wageningen bijzitten, of die kwam een lezing geven.

Stagebeleiding en lesgeven

Na mijn functie als studiecoördinator ben ik naar Diedenoort gegaan. Dat was de Hbo-opleiding voor Huishoudwetenschappen, toen nog voor klein- en groothuishoudens zoals dat dat heette. Nu is het Facility Management gaan heten.

Ik zat bij de kleinhuishouding waar studenten werden opgeleid voor functies als budgetconsulent, bij woningbouwverenigingen, in voedingsvoorlichting of de schoonmaaksector. Bij groothuishouding werden ze opgeleid voor functies in de horeca, ziekenhuizen en alle facilitaire zaken die daar en in grote gebouwen plaatsvinden.

Het meest interessante vond ik de stagebegeleiding. Dan zocht ik studenten op en zag ik wat ze deden. Ik ging het hele land door en dat was ontzettend leuk, ook voor mezelf om te zien wat ze allemaal konden opsteken.

Ik heb ook lesgegeven. De eerstejaars vonden de algemene vakken helemaal niet leuk. Toch was Leiding en Beheer belangrijk, net als budgetbeheer, en ook schoonmaak en onderhoud. Voeding vonden ze dan weer wel leuk. Daarmee konden ze meteen aan de slag in de keukens.

Ik deed de vakken over bijvoorbeeld het gebruik van machines voor schoonmaak en wasmachines. Er waren docenten die elders vandaan kwamen. Zo waren er sociologen of bedrijfskundigen die een heel andere kijk hadden op die opleiding. Dat heb ik echt als problematisch ervaren.

Met een collega, die bij Philips had gewerkt met huishoudelijke apparatuur, maakten wij apparatuur-opdrachten. Studenten vonden dat helemaal niet leuk, vergelijkend onderzoek doen naar wasmachines of koffiezetapparaten en daar een verslag van maken.

Ze gingen hun beklag doen bij enkele hoofdocenten die uit een heel andere discipline kwamen en die gaven hen altijd gelijk. Dat vond ik echt heel naar. Op die manier werden de meer praktische vakken onderuit uitgehaald.

Wij deden bijvoorbeeld aan budgettering. En hoeveel mensen zitten niet met financiële problemen? Maar dat vonden ze niet interessant. Met de opleiding groothuishouding kom je bij congressen, grote instellingen, horeca, ziekenhuis of een groot hotel terecht. Dat heeft meer aanzien dan wanneer je bij de gemeente met budget- of woningbeheer aan de slag gaat.

In totaal heb ik 22 jaar gewerkt en ben eruit gegaan toen dat mocht met 59 jaar.

Terugblik

In de vijftig tot zeventiger jaren waren mensen minder kritisch. De Provotijd hebben we wel meegemaakt, maar ging een beetje aan ons voorbij. Als studenten waren we best wel volgzaam.

Ik weet nog dat er later, toen wij net weggingen, studenten kwamen die zich veel kritischer opstelden. Een bekende was Gerda Casimir, die kritisch was over de studie en in de clinch lag met de hoogleraren. We zagen wel dingen ten goede veranderen.

Ik was er trots op dat ik in Wageningen kon gaan studeren. Ik heb een heel leuke tijd gehad met medestudenten maar ook in contacten met hoogleraren en discussies over verschillende dingen. Je werd voor vol aangezien.

Ik vond het de leukste periode van mijn leven. Je had nog niet zoveel verantwoordelijkheid. Als er kinderen komen dan krijg je veel meer zorgen. We hebben het goed gehad met de kinderen en ook dat is een leuke tijd geweest.

En nu de kleinkinderen, die helemaal een geschenk zijn, en die alweer aan het studeren zijn. Ik sta ervan versteld hoe makkelijk die kinderen zich bewegen. Dat hadden wij in onze tijd dus niet.”

“Ik heb een heel gelukkige jeugd gehad, en we mochten ons ontwikkelen. Het is allemaal goed gegaan. Dus ik ben heel blij met de opvoeding van onze ouders en dat we onze studies konden doen.”

Dit interview is gehouden in kader van het Oral History Project Educatie en Emancipatie (vanaf najaar 2023).


Rechten

Willy Brouwer, Werkgroep Oral History Gelderland, CC-BY

  • Educatie en Emancipatie

  • Werk

  • Personen

  • Streekgeschiedenis

  • 1950-2000

  • Wageningen

Relevante links

Verwante verhalen

Lees meer

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

info@mijngelderland.nl

Inschrijven nieuwsbrief

mijnGelderland Sociale media

erfgoed gelderland

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

E info@mijngelderland.nl