
De ossentrek en vetweiderij hebben een eeuwenlange geschiedenis in Gelderland, waarbij de Gelderse Hanzesteden een belangrijke rol speelden.
Ossen zijn gecastreerde stieren. Castratie was bij voor de mesterij bestemde mannelijke runderen noodzakelijk. Door de ingreep veranderde het temperament van het dier: het werd rustiger en zette meer van het voedsel om in vet. De castratie vond plaats vlak na de geboorte of op een leeftijd van 18 tot 24 maanden.
De eerste ossen werden rond hun vijfde levensjaar vanuit het productiegebied geëxporteerd. Rond 1600 lag het gemiddelde gewicht al op ongeveer 300 kilo, en in de 18e eeuw steeg dat nog eens met zo’n 25 procent.
Het vee werd langs ’s herenwegen gedreven. Onderweg zochten de drijvers de beste voerplaatsen ‘waar ’t beste hooij is’, en zorgden zij dat de route ‘vijlig en secuur’ was, ‘sonder wel geen ossen passeeren konnen’. Langs deze routes ontstond een infrastructuur met herbergen voor kooplieden en drijvers, kralen voor vee, stallen voor paarden, markten en tolplaatsen. Boeren uit de omgeving leverden hooi en stro voor de passerende dieren.
In 1736 en 1737 stelde de overheid de officiële ‘routes en Jeere baanen’ voor veevervoer door onder andere Gelderland vast. Het landtransport tussen Groningen en de vetweides duurde ongeveer zes weken. Een kudde bestond meestal uit zo’n veertig ossen, maar honderd of meer was geen uitzondering. De Noord-Hollandse steden werden steeds vaker de eindbestemming. Dat had niet alleen te maken met de toenemende welvaart daar, maar ook met de vraag naar ingezouten vlees, het zogeheten ‘tonenvlees’, voor de oorlogsvloot en de handel van de VOC. Ossenvlees bleef namelijk het langst goed van smaak en structuur.
Vetweiderij was de tak van de rundveehouderij die zich richtte op vleesproductie door het mesten van magere ossen. Deze praktijk bestond al in de dertiende eeuw en was aanvankelijk vooral voor eigen gebruik. Door de lange trek konden ossen onderweg tot wel 80 kilo verliezen. Stadsboeren die zich volledig op vetweiderij richtten, werden ‘vetweiders’ genoemd. In 1624, een topjaar, arriveerden 26.000 ossen uit Denemarken en Sleeswijk-Holstein om in Nederland te worden vetgemest. Dat gebeurde in de zomer, waarna het vee in het najaar werd geslacht.
Uit documenten blijkt dat Elburg een belangrijke rol speelde. Negen burgers bezaten er elk 20 tot 30 ossen (waaronder een pater), twee anderen hadden 48 tot 60 ossen, en het klooster bezat er 46. Waarschijnlijk stonden deze dieren lange tijd op heide- en woeste gronden. Op 16 oktober vond er op St. Gallendag een grote ossenjaarmarkt plaats.
De internationale ossenhandel verliep deels over zee, naar plaatsen aan de Zuiderzee, en deels over land vanuit Denemarken — de zogeheten ‘ossentrek’. Uit handelsbrieven blijkt dat in 1316, 1326 en 1368 de veekooplieden van Harderwijk werden begunstigd. Ook Nijkerk, als havenplaats aan de Zuiderzee, deed mee aan deze handel.
Uiteindelijk zou de overlandse export de overzeese handel overtreffen. Nederlandse kooplieden, waaronder die uit Zutphen en Nijmegen, namen hierin een steeds groter aandeel. Rond het midden van de vijftiende eeuw bereikte de handel in Zutphen haar hoogtepunt.
In 1445 weidden er op de ‘ossenweerd’ 54 veulens, 38 kalveren, tien ossen en 118 stieren. De ossen werden verkocht aan Karel de Stoute. In 1450 opende Zutphen een vleeshal, en in 1490 werd tijdens de jaarlijkse Walburgismarkt rond 1 mei een speciale ossentol geheven.
Na 1580 en gedurende de hele zeventiende eeuw kende het rundertransport een enorme omvang, met gemiddeld 30.000 stuks vee per jaar. In de eerste helft van die eeuw waren er zelfs jaren met 80.000 stuks, waarvan 50.000 over land werden aangevoerd voor de vetweiderij in Holland.
De Staten-Generaal voerden heffingen in op de doorvoer van ossen naar vijandelijk of neutraal gebied, om geld in te zamelen voor de strijd tegen Spanje. De admiraliteitscolleges inden deze belastingen, die in een speciale kas gingen voor de oorlog ter zee, de konvooidienst en de bebakening van vaarwegen.
Het tarief voor door- en uitvoer lag in de tien jaar daarna tussen de 2 en 5 gulden per os. In 1627 was de aanvoer zo groot dat Gelderse ossenweiders vroegen om ook op neutralere plaatsen te mogen verhandelen, maar dat verzoek werd afgewezen.
De runderpest van 1745 en 1780 betekende het einde van de internationale ossenhandel. Daarna schakelde men over op de arbeidsintensievere melkveehouderij.
Bronnen
Olga Spekman, CC-BY