In de loop van de negentiende eeuw kreeg de kas een gebruiks- en een sierfunctie en werd de kas op decoratieve wijze geïntegreerd in de tuin- en parkaanleg van buitenplaatsen. Het waren met name de botanische tuinen, de natuurhistorische musea en enkele zeer rijke particulieren die de kassenbouw stimuleerden. Toonaangevende Gelderse buitenplaatsen met kassen waren onder andere Paleis Het Loo en Oud Groevenbeek.
De geschiedenis van de glastuinbouw begon met de bakken. Zij werden ingezet om het groeiseizoen te verlengen en planten te beschermen tegen wisselende weersomstandigheden. Omstreeks 1830, als gevolg van nieuwe bouwmaterialen van glas en ijzer, werd een nieuw type plantenruimte geïntroduceerd: de verwarmde kas.
Door de ontdekking en vervolgens exploitatie van nieuwe overzeese gebieden kwam een heel arsenaal aan bijzondere exotische planten in het bereik van botanisten en een kleine groep particuliere verzamelaars met zeer goede connecties in de kringen van het stadhouderlijk hof van Willem III. Wat betreft de ontwikkeling van tropische kassen ontstonden ook de zogenaamde wintertuinen, die specifiek bedoeld waren voor de sierfunctie. Hierbij werden de tropische kassen onderdeel van de woonomgeving.
Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden in de Matanze te Terwolde (1887). Bijzonder is dat de wintertuin van dit adellijke buitengoed op de eerste verdieping is gesitueerd, boven de loggia op de zuidwesthoek van het huis. De wintertuin sluit aan op een van de belangrijkste en rijkst gedecoreerde vertrekken van het huis, de Lodewijk XVI-zaal. De groei van de plantenverzamelingen en technische mogelijkheden leidden er uiteindelijk toe dat steeds grotere constructies gebouwd konden worden en ook dat verschillende soorten kassen noodzakelijk werden, zoals bijvoorbeeld palmkassen en cameliakassen.
In de loop van de achttiende eeuw ontdekte men ook het voordeel van kassen voor de fruitteelt. Bijna alle bestaande kassen met tropische planten verdwenen op den duur van de landgoederen en werden kassen die iets met fruitteelt te maken hadden, vooral de druiventeelt. Tot het laatst toe zijn er kassen voor de druiventeelt gebouwd. Voorbeelden hiervan zijn buitenplaats ’t Klaphek te Eefde en Marienwaerdt te Beesd. In de oorlogsperiode en crisistijden werd teruggegrepen op kweken van consumptieplanten voor eigen gebruik en voor verkoop.
Het Paleis Het Loo is in 1685-’86 in opdracht van koning-stadhouder Willem III (1650-1702) gebouwd. Er werden moestuinen aangelegd en oranjerieplanten in de tuin opgesteld. De nu nog aanwezige kassen en bakken dateren uit de tijd dat koning Willem III (1817-1890) het paleis bewoonde. De kwekerij waar de kassen staan, wordt aangeduid als De Bloemisterij en dient nu als toeleveringsbedrijf voor de paleistuinen. In de Bloemisterij staat ook het zaadhuis met bijbehorende werkschuur. Daarnaast staan er twee kassen, de zogenoemde Weidekas en de orchideeënkas, ook wel aangeduid als de Princessenkas. Zij dateren uit de laatste kwart van de negentiende eeuw.
In de negentiende eeuw was orchideeën kweken een dure hobby die maar voor enkele vermogenden was weggelegd. Later is de kas gebruikt voor de opvang van ‘Kaaps Goed’, planten uit Australië en Zuid-Afrika. Er zijn zelfs nu nog planten uit de tijd van Wilhelmina en Emma te vinden.
De Emmakas was ongetwijfeld een van de mooiste kassen die ooit gebouwd is op een Nederlandse buitenplaats. Deze samengestelde driedelige kas werd gebruikt als collectiekas. Van deze ijzeren kas rest nu slechts het bakstenen muurwerk afgedekt met natuursteen. Vóór de westgevel van de kas is in het plaveisel een kroon met de letter E van zwarte kiezels in wit mozaïek bewaard gebleven.
De kas, die ooit op dit landgoed stond, behoorde tot de grootste samengestelde kassen. Hiervan is slechts één onderdeel bewaard gebleven. De kas was onderdeel van een voor Nederlandse begrippen ongekend groot uit Engeland geïmporteerd kassenensemble dat uit 1915 dateert. Inmiddels staat deze ‘verbindingskas’ geheel vrij bij een hoger gelegen watertoren die gebruikt werd voor de watervoorziening van deze kassen. Daarnaast was er in het verleden nog een kleine gasfabriek die voor de verwarming van de kassen moest zorgen.
Het landgoed kwam in 1968 in bezit van de Vereniging Natuurmonumenten, die in 1997 de watertoren en kas restaureerde en opnieuw in gebruik nam.
Op de buitenplaats staat ook nog een druivenserre met een zogenaamde lantaarn op het dak. In deze lantaarn wordt de warme lucht opgevangen. Door het draairaam aan de zijkant te openen, kan de warme lucht ontsnappen. Het luxe draaimechanisme is uitgevoerd met een draaiwiel. In de onderbouw bevinden zich nog ijzeren luikjes die naar binnen open kunnen. Aan de buitenzijde zijn de luikjes voorzien van geperforeerd plaatmateriaal om te voorkomen dat ongedierte binnendringt.
Bron:
Olga Spekman, CC-BY
Landschap
1800-1900
Apeldoorn
Ermelo
Veluwe