Tussen 1945 en 1966 arriveerden vele tienduizenden Indische-Nederlanders uit Indonesië in ons land. Zij waren niet meer welkom in het nieuwe Indonesië vanwege hun Nederlandse gezindheid. Zij streken neer in plaatsen als Apeldoorn, Arnhem en Nijmegen. Hoe is het hen vergaan in het land dat weliswaar hun vaderland was, maar waar men niet zat te wachten op deze rijksgenoten met (soms) een kleurtje?
In diverse afleveringen van De Indische Podcast vertellen zij hun verhaal, zoals Ralph Voorsmit die na omzwervingen in Nijmegen terechtkwam. Hij zou een mooie loopbaan volgen, zat bij de eerste lichting studenten tandheelkunde van de (toen nog) Katholieke Universiteit Nijmegen en werd een vakkundig en bekend kaakchirurg. Hij woont nog steeds in Nijmegen.
Ralph Voorsmit (Batavia, 1941) schrijft aan zijn familiegeschiedenis met de werktitel Het koffertje van mijn moeder. Dat koffertje bevatte foto’s en voorwerpen uit voormalig Nederlands-Indië, bij elkaar het enige tastbare dat moeder kon meenemen toen het gezin in 1946 min of meer halsoverkop naar Nederland vertrok. De inhoud staat symbool voor een tijd die ooit was, voor wat ook wel ‘tempo doeloe’ heet.
Ralph vertelt openhartig over de familieverhalen die hij hoorde. Ook over zijn eigen herinneringen, al zijn die gefragmenteerd. Bijvoorbeeld over zijn kleutertijd in Indië, de buitenkampperiode, de revolutietijd en de reis naar Nederland in 1946. Over hoe het gezin andermaal terugkeerde naar Indië en vervolgens weer terug naar Nederland moest toen Indonesië onafhankelijk werd. Ralph werd bij zijn grootouders in Groningen ondergebracht, want moeder en vader vertrokken alsnog (zonder kinderen) terug naar Indonesië om er te gaan werken; een traumatische ervaring voor de kleine Ralph.
Hij vertelt over de schooltijd in het Groningse - hoe hij zijn Indische accent moest afleren – over zijn eerste baan en hoe hij zich als Indo een plaats wist te veroveren in de Nederlandse samenleving. “Ik kom uit een middenklasse familie, we waren zeker niet arm maar ook niet welgesteld. Mijn vader werkte voor een scheepvaartmaatschappij als procuratiehouder, een veredeld soort boekhouder. Zijn vader, mijn opa, is mogelijk bij het KNIL gegaan en zodoende als soldaat in de kolonie beland.
Mijn moeder is geboren in Oost-Java, mijn vader komt uit Midden-Java. Ik weet eerlijk gezegd eigenlijk meer over mijn moeder, mede dankzij het koffertje dat zij uit Indië meenam.
Van de oorlogsperiode en Japanse bezetting heeft Ralph slechts flarden van herinnering. Hij was een jaar of vier toen de oorlog voorbij was: “Mijn vader is krijgsgevangene gemaakt dus die heb ik tot mijn vijfde niet gekend. We verbleven in Bandung, niet in het kamp maar daarbuiten. Wat ik me herinner? Dat moeder een kip slachtte en dat die kip nog een tijdje zonder kop rondliep. Dat vond ik grappig en gek. Voor mijn gevoel bleef hij maar over het erf heen en weer lopen.” Hij diept nog een herinnering uit die tijd op: “We waren aan het spelen en vonden een nest met, wij dachten, kleine baby’s. We raakten helemaal in paniek en renden naar huis. Bleek het een nest muizen te zijn. Van die dingen, die blijven je bij.”
In huize Voorsmit werd niet over de oorlog gesproken, een bekend fenomeen in getraumatiseerde Indische families. Vader kwam terug uit gevangenschap en daardoor in aanmerking voor recuperatieverlof in Nederland. Het zou echter nog tot 1946 duren voor de reis kon worden aanvaard.
Intussen borrelde het in de kolonie, Nederlanders werden doelwit van terreuracties. Ralph vertelt (deels uit de overlevering) over de inval van een groep militanten: “Op een gegeven ogenblik zaten ze in ons huis. De baboe schreeuwde tegen mijn moeder, ‘mevrouw daar komen ze aan!’ Toen heeft mijn moeder ons aan de baboe meegegeven met de mededeling: ‘maak ze als jouw kinderen’. De baboe moest net doen of wij haar kinderen waren. We waren natuurlijk een beetje donker en klein en konden goed voor Javaantjes doorgaan”, vervolgt Ralph Voorsmit in spannende toon.
“Er was nog iets. We hadden nog een Nederlandse vlag in huis. Dat was gevaarlijk. Toen heeft ze een koffer gepakt en daar die vlag met de rode kant naar boven in gelegd. Ze vroeg aan de kokkie een baal rijst, die heeft ze daar overheen gestrooid. Daarna heeft ze uit de slaapkamer twee krissen gehaald, die ze met haar huwelijk had gekregen, en deze kruislings over de rijstbaal gelegd. Die krissen zijn, moet je weten, op Java heilige symbolen. Toen de Indonesiërs binnenkwamen hebben ze alles overhoopgehaald waarbij de koffer werd gevonden en geopend. Toen de mannen de inhoud en dus de krissen zagen zijn ze onmiddellijk vertrokken. En hebben ons verder met rust gelaten.”
Ralph is spaarzaam over zijn herinneringen aan vader, die hij tot zijn vijfde immers niet had gekend. “Hij is van hot naar her verscheept: van Java naar Ambon waar hij met Australische en Engelse gevangenen een vliegveld moest aanleggen. Hij werd gemarteld, is bijna verdronken, werd ziek, raakte ondervoed en woog bij de bevrijding minder dan 30 kilo. Dus nee, ik kon me niet voorstellen dat dit mijn vader was. Hij was een vreemde voor me. Maar ik herinner me ook dat er totaal geen emotie was, er werd niet gehuild. Gewoon, de draad weer oppakken. In de lente van 1946 vertrokken we met de Johan van Oldenbarnevelt naar Nederland. Met dat koffertje, ja. Een symbool van redding.”
Het gezin Voorsmit werd ondergebracht bij een boer in Groningen, op een grote graanboerderij met bijgebouwen. In een daarvan mocht het gezin verblijven tot, ja tot wat? Terugkeer, permanent of tijdelijk? De toekomst was ongewis.
Ralph vertelt van zijn eerste indrukken: “Alles was vreemd. Het was lente maar toch nog vrij koud. Het leven op de boerderij, de eindeloze velden, ik wist niet waar ik moest kijken. We werden goed ontvangen hoor. Mijn zusje en ik mochten zelfs bruidsjongen en meisje zijn bij het huwelijk van een dochter van de boer. Eigenlijk zijn we met onze neus in de boter gevallen. Die boerenfamilie had zich uit menselijke overwegingen opgegeven om rijksgenoten uit Indië op te nemen.”
Over de eerste schooljaren in Winschoten vertelt Ralph met enige ironie: “Mijn zus en ik werden onmiddellijk apart gezet want wij spraken geen Nederlands, laat staan Gronings. We gebruikten nog termen als ‘adoe’ en spraken in een soort ‘petjoh’. Dat was natuurlijk helemaal niet goed. We moesten op logopedie om dat rare accent af te leren; urenlang ‘het Spaanse graan heeft de orkaan doorstaan’ herhalen. Door die aparte behandeling werden we vanzelf buitenstaanders, hoewel dat niet de opzet was. De onderwijzer dacht: als ze maar eenmaal ABN spreken komt het wel goed.
Maar wij konden ons voorkomen natuurlijk niet verbergen. Ongewild werden we een soort attractie in dat roomblanke Winschoten. Zoiets als de eerste negers. Mijn vader heeft dat denk ik dwarsgezeten. Want hij is als een bezetene gaan schrijven in de krant, de Winschoter Courant, over Indië en wat daar allemaal is gebeurd. Ik denk dat hier de kiem is gelegd voor zijn terugkeer naar het land van herkomst.”
Echt rouwe discriminatie zegt Ralph niet te hebben ervaren, althans niet als zodanig door hem beleefd. “Natuurlijk, ik ben aan de buitenkant een pinda maar binnen een volbloed Nederlander. Door mijn temperament en goede schoolresultaten hoorde ik er toch wel bij, daar zorgde ik wel voor.”
“Nee, ik ben in mijn schooltijd, op de middelbare school, de universiteit en later niet gediscrimineerd om mijn afkomst, of om mijn Indisch voorkomen. De inburgering is eigenlijk best geruisloos verlopen”, zegt Voorsmit. Maar de eerste periode zou abrupt worden verstoord door de ontwikkelingen in Indonesië.
“Vader las elke dag de berichten, over de Politionele Acties, maar ook van het herstel van het Nederlands gezag in de kolonie. Hij wilde terug en voor we het wisten gingen we aan boord van de ‘Oranje’ op weg naar Batavia.” Vader Voorsmit kon weer terecht bij zin oude werkgever. De kinderen gingen naar een katholieke school in Batavia. Hoewel het soms nog onrustig was (we schrijven 1947) voelde Ralph het als een terugkeer in het paradijs: “Eindeloos buiten spelen, voetballen, bikkelen, in het weekend naar de Puncakpas met de eigen auto. Alle geneugten van een koloniaal leven. Alleen het contact met inheemse kinderen was er nauwelijks meer, we gingen naar een bijna blanke school. Dat was wel anders dan voorheen. Er was toch wel iets aan het veranderen.”
Dat veranderen ging sneller dan iedereen had verwacht. Minder dan twee jaar zou het verblijf duren. “In 1950 werd er nog een zusje geboren. Uiteindelijk vond vader het verstandiger om het gezin naar Nederland over te brengen. Maar eenmaal daar besloot hij met moeder alsnog terug naar het nieuwe Indonesië te gaan. Kennelijk lagen daar carrièrekansen, ik heb daar als kind niet veel van begrepen. Eigenlijk was dat best traumatisch voor ons.”
De aankomst in Holland was dit keer in de winter en dat was wennen. Het gezin ging wonen in de Indische buurt van Den Haag. Ralph ging naar school en moest weer al zijn Indische gewoonten afleren: “Ik was gewend met handen te eten en veegde ze af aan mijn broek, dat kon rekenen op een flinke tik met de liniaal. Ook werd ik wel eens in het kolenhok opgesloten als ik niet goed Nederlands sprak.”
“Wat we als kinderen niet meekregen is dat vader en moeder plannen hadden om terug te keren naar Indonesië. Zij zagen er mogelijkheden, meer dan in Nederland. Wij moesten maar bij opa en oma blijven.” Dat was een bittere pil voor Ralph en zijn zusje. De scheiding zou diepe sporen achterlaten bij Ralph: “Ik kende mijn zus niet anders dan met een strik in het haar. Maar bij het afscheid op de kade waar traditioneel bossen serpentines aan het vertrekkende schip hingen trok mijn zus de strik uit het haar en zou die nooit meer in doen. Er is een foto van gemaakt, dus ik weet het zeker. Dat was een veelbetekenend moment.”
Vader en moeder zouden slechts enkele keren op bezoek komen. Tot vader op jonge leeftijd in 1970 overleed. Ralph zegt hierover: “Mijn moeder heeft daar wel wroeging over gehad. Later vroeg ze steeds of er goed aan had gedaan, ze voelde zich toch wel schuldig naar ons.”
Ralph Voorsmit doorliep in Den Haag het Dalton Lyceum en vervolgens het Gymnasium. Hij wilde eigenlijk kok worden maar vader ontraadde dit ten zeerste. Ralph moest maar tandheelkunde gaan studeren. En zo geschiedde (na twee uitlotingen en een basisjaar in Groningen) dat - na het vervullen van de militaire dienst - Ralph als een van de eersten tandheelkunde ging studeren in Nijmegen. Hij bleek een dusdanig voorbeeldige student dat zijn hoogleraar hem adviseerde om kaakchirurgie te gaan doen. Dat zou nog enige voeten in de aarde hebben, zo kwam Ralph pasgetrouwd en wel op Curaçao terecht waar hij een praktijk waarnam. Later volgde Amerika waar hij in Rochester bij het Kodak Dental Institute terecht kwam. Een carrière die hem op veel plekken op de wereld bracht. Tot hij zich definitief in Nederland zou vestigen, meer bepaald Nijmegen. “Ik ben een zondagskind en heb eigenlijk nooit echte tegenslag gekend. Mijn Indische afkomst vormde geen belemmering, waarmee ik niet wil zeggen dat discriminatie niet voorkwam in het medische wereldje.” Ralph zou nog enige jaren als kaakchirurg werkzaam zijn. Na zijn pensionering vervulde hij bestuurstaken en is (tot op heden) bezig met het Indische familieverhaal dat hij graag doorvertelt onder de titel Het koffertje van mijn moeder.
Dit artikel en de podcast zijn tot stand gekomen in het kader van de training ‘Oral History’ van Erfgoed Gelderland. Met dank aan Else Gootjes.
Peter van Riel , CC-BY-SA