
Tussen 1927 en 1932 wordt de Afsluitdijk aangelegd - een internationaal beroemd waterwerk, dat Nederland voor overstromingen en stormen moet beschermen.
Voor de inwoners van het Zuiderzeestadje Elburg brengt de aanleg van de dijk grote onzekerheid met zich mee. De inwoners van de stad leven van de visserij. Maar door de afsluiting van de Zuiderzee lijkt een groot aantal gezinnen de enige bron van inkomsten te verliezen. De Elburgers zijn dan ook somber gestemd. 'We zijn dubbel getroffen door den dam, die geworpen is in de zee onzer welvaart', zo omschrijft een sombere Elburger de situatie poëtisch.
De overheid onderneemt verschillende, weinig succesvolle, pogingen om andere werkgelegenheid te creëren voor de vissers. Langzamerhand groeit het besef dat Elburg een belangrijke troef in handen heeft: het is een prachtig vestingstadje. Al in de jaren dertig begrijpt de toenmalige burgemeester dat Elburg het van het toerisme moet hebben.