In september 1944 moest de familie Van de Wetering uit Rossum evacueren. Elisa van de Wetering, roepnaam Lies, was toen acht jaar oud. Samen met zijn ouders, broers en zus trok hij te voet de Bommelerwaard uit. Wat voor volwassenen een tijd van angst en onzekerheid was, beleefde hij als kind als een groot avontuur. Sommige herinneringen bevinden zich meer dan tachtig jaar later nog haarscherp in zijn geheugen.
“Ik woonde met mijn ouders en broers en zus in de Slotselaan in Rossum. In september 1944 moesten we evacueren. Het was nog door de Duitsers bezet gebied en het werd te gevaarlijk om te blijven. Niemand wilde van huis en haard weg, maar het was volgens de Duitsers ook voor onze eigen veiligheid.
We gingen te voet naar Buurmalsen. Ik fietste op een kinderfietsje naast de handkar en de fietskar die we bij ons hadden. Onze hond Centa ging ook mee. We hadden thuis kippen, twee varkens en een paar geiten, maar die moesten we achterlaten. Er werd gezegd dat het maar voor een paar dagen zou zijn, maar dat bleek later niet waar. Toen we terugkwamen, was alles weg. Waarschijnlijk zijn de dieren geslacht.
Onderweg gebeurde er iets bijzonders. Ik had een tamme kraai. Mijn broer had ooit een likje witte verf op zijn rug gezet zodat we hem konden herkennen. Die kraai bleek op de as van de fietskar te zijn gekropen zonder dat iemand het had gezien. Pas in Buurmalsen kwam hij eronder vandaan en vloog hij op mijn schouder. Een paar dagen bleef hij bij ons en daarna vloog hij weg. Toen we maanden later weer thuiskwamen, lag hij dood op het erf. Aan de witte vlek herkende ik hem meteen.
We bleven in Buurmalsen tot januari 1945. Toen moesten alle evacués daar weg. Het plan was dat we met de trein naar Friesland zouden gaan, maar mijn vader wilde dat niet. Een broer van mijn vader had een tuinderij in Westbroek bij Maarssen, en daar wilden we naartoe. We gingen opnieuw te voet op weg. Het was hartje winter en er lag zeker dertig centimeter sneeuw. Ik liep op klompen en de sneeuw bleef onder de zolen plakken.
Onderweg sliepen we onder andere in een boerderij bij Schalkwijk. Boven de koeienstal lag hooi op de vloer en daar lagen allemaal mensen naast elkaar. Door de koeien beneden was het er nog warm. Ik lag bij mijn vader en moeder. Naast mij lag een oudere man uit Ammerzoden. Toen ik ’s morgens wakker werd, merkte ik dat hij niet meer bewoog. Ik maakte mijn moeder wakker en zei dat die meneer niet goed was. Hij bleek in de nacht te zijn overleden.
Van september 1944 tot april 1945 verbleven we uiteindelijk in Westbroek. Daar kregen we ook met honger te maken. Ik herinner me nog dat mijn moeder met een melkkan langs boeren ging om melk te vragen. Ik liep met haar mee. Ze dacht dat ze misschien meer kans had als ze een kind bij zich had. Bij een boerderij deed een vrouw de deur op een kier open. Mijn moeder vroeg of ze misschien een beetje melk kon krijgen. De vrouw zei nee. Toen vroeg mijn moeder nog: “Maar een bekertje voor hem?” en ze wees naar mij. We kregen niets. (Hier stokt zijn stem even, en vullen zijn ogen zich met tranen.) Dat moment kan ik me nog goed herinneren.
In april 1945 gingen we terug naar de Bommelerwaard. We moesten de Waal oversteken over de zwaar beschadigde spoorbrug waarop planken tussen de rails waren gelegd. Zo zijn we er overheen komen.
We konden nog niet meteen naar ons huis. Daarom verbleven we een tijdje bij de familie Van der Zalm in de Doorningstraat in Rossum.
Ik was een nieuwsgierig jochie en ging vaak stiekem naar de dijk om over de Waal te kijken. Je mocht daar eigenlijk niet komen. Op een dag lag ik tegen de dijk aan en keek over de rivier. Toen hoorde ik een enorme dreun. De Duitsers hadden Fort Sint-Andries opgeblazen. Even later volgde nog een explosie waarbij een stuk van de dijk eruit vloog. Ik voelde de dijk gewoon schudden en rende bang naar huis.
Op 5 mei kwamen er Nederlandse vlaggetjes tevoorschijn. Samen met een vriend en mijn moeder liep ik langs het gemeentehuis in Rossum. Daar stond nog een Duitse soldaat op wacht. Wij riepen: “De oorlog is voorbij!”
Niet lang daarna kwam er nog een Duitse soldaat het erf op met een geweer en riep: “Heraus, heraus!” Mijn moeder bleef staan en zei: “Niks heraus. Jij eruit. Het is afgelopen.”
Vincent Wibier, Regionaal Archief Rivierenland, CC-BY-NC-SA
Sprekende Herinneringen
Tweede Wereldoorlog
Streekgeschiedenis
1900-1950
Maasdriel
Archieven
Rivierengebied