Een Nijmeegs aandeel in de slavernij

Triebels en Bedloo

In 1821 trad koopman en later locoburgemeester van Nijmegen Wilhelm Triebels in het huwelijk met Anna Maria Bedloo, telg uit een Surinaamse plantersfamilie. Het kersverse echtpaar streek neer in Huize Oraniënstein in Hees (Kerkstraat 95). Ruim veertig jaar later, een jaar voordat in 1863 de slavernij in Suriname officieel werd afgeschaft, maakte Triebels zich bekend als deel-eigenaar van een plantage van zijn echtgenote. Een slavenhouder kon een financiële compensatie krijgen van driehonderd gulden per tot slaaf gemaakte arbeidskracht. De toenmalige locoburgemeester Triebels van Nijmegen was een van de aanvragers.

Plantage d'Alyda

Anna Maria Bedloo (1801-1837) stamde uit een van de oudste kolonistenfamilies van Suriname en de aandelen van twee plantages circuleerden al enkele generaties in de familie. De verbintenis met Suriname was begonnen in de zeventiende eeuw toen Willem Bedloo van Middelburg naar Suriname emigreerde. Hij wist daar op te klimmen tot regent en was daarnaast verantwoordelijk voor gewelddadige strafexpedities tegen mensen die van de slavenarbeid op de plantages waren weggevlucht naar het oerwoud om daar als vrije mensen te leven. Op 19 februari 1771 vielen volgens het bewaard gebleven gouverneursjournaal circa tweehonderd ‘Wegloopers’ Willems Plantage Hagenbosch aan en doodden de directeur.(1) Het was de zesde aanval op plantages door de zogenaamde ‘Marrons’ in dat jaar. Nog in 1827 vluchtten achttien geslaafden van d’Alyda na een aanval van een opzichter en zijn arbeidskrachten van buurtplantages.(2)

De omstandigheden op de suikerplantage waren verschrikkelijk. Dat blijkt uit ook het bekende reisverslag van de Schotse militair John Gabriel Stedman, die tegen de Marrons vocht. Op de Plantagie Alia, '(...) morgens, onder het ontbyt, wierden zeven Negers strengelyk gegeeseld.'(3)

Compensatie voor eigenaars

Anna Maria Bedloo was in 1863 al dertig jaar dood en weduwnaar Triebels en zijn zonen meenden dat hij als haar erfgenaam toch mocht delen in de compensatiegelden. Vaak ging het bij de eigenaar niet om de beheerder van de plantage maar om talrijke aandeelhouders die in de opbrengsten deelden zonder ooit één voet overzee te hebben gezet. De Surinaamse plantage-economie werd draaiende gehouden met slavenarbeid en gefinancierd met Nederlands krediet. Waarmee de opbrengsten ook terugvloeiden naar Nederland.

Familie Bedloo

Triebels aanspraak op een aandeel en een compensatie werd afgewezen. Wel werden twee leden van de familie Bedloo gecompenseerd. De eerste was Triebels schoonmoeder Elizabeth, die in de Lange Hezelstraat woonde in het pand waar tegenwoordig een apotheek zit. Het was haar man, de in Suriname geboren Everardus Bedloo (1774-1779) – Willems kleinzoon –die was neergestreken in Nijmegen.(4) Hij legde daarmee dus een relatie tussen Nijmegen en de plantages d’Alyda en Karelsburg. Aan d’Alyda waren in totaal 85 slaafgemaakten verbonden. De tegemoetkoming liep daarmee op tot 25.000 gulden. De vrijgemaakten die geadministreerd stonden als ‘huismeid’ Francina Margot Stamhoef, ‘metselaar’ Simon Laarhoop of ‘veewachter’ Hermanus Hoogstad kregen niets.(5) Elisabeth heeft de tegemoetkoming onder meer gebruikt om schulden op de twee plantages af te lossen. Zij woonde samen met haar dochter Henriëtte Bedloo en haar nieuwe echtgenoot enige tijd in Grave op het kasteeltje Bronkhorst.

De tweede begunstigde was de zuster van Everardus, Elisabeth Bedloo. Zij was met haar broer vanuit Suriname naar Nederland verhuisd. In Den Haag zou haar dochter de Haagsche Diaconessen-Inrichting stichten, beter bekend als het Bronovoziekenhuis. Of de oprichting van dit ziekenhuis geschiedde met geld dat was verkregen uit de plantages, is niet bewezen, maar kan ook niet uitgesloten worden.

Koloniale Waren

Hoewel locoburgemeester Triebels niet deelde in de compensatiegelden bleef ook voor zijn familie de relatie met de koloniën bestaan. Twee van zijn zonen waren al eerder onder de naam ‘De Gebroeders Triebels’ een ‘handel in tabak en kruidenierswaren’ of ‘koloniale waren’ begonnen die jarenlang in Nijmegen heeft gefloreerd.

Bronnen:

(1) J.Wolbers, Geschiedenis van Suriname (Amsterdam 1861), 144.

(2) Alex van Stipriaan, Surinaams Contrast. Roof en overleven in een Caraïbische plantagekolonie 1750-1863 (Leiden 1993), 279.

(3) Verslag Stedman, pagina 319. De volledige tekst is beschikbaar via The Internet Archive.

(4) Nationaal Archief, vrijverklaarde slaven (emancipatie 1863) (2.02.09.09), inv.nr. 223 onder eigenaren: Elisabeth Bedloo.

(5) Nationaal Archief: vrijverklaarde slaven (emancipatie 1863) onder Francina Margo Stamhoef, Simon Laarhoop en Hermanus Hoogstad. 


Rechten

© Mirjam Vriend, Radboud Universiteit Nijmegen, CC-BY-NC-SA

Relevante links

Vond u dit artikel nuttig?

Kenmerken

  • Sporen van slavernijverleden
  • Streekgeschiedenis
  • 1800-1900
  • Nijmegen
  • Rijk van Nijmegen

Plaats

Location on map

Verwante verhalen

Lees meer

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

026-3521690
info@mijngelderland.nl

Inschrijven nieuwsbrief

 

mijnGelderland Sociale media

erfgoed gelderland

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

T 026-3521690
E info@mijngelderland.nl