Ank Tap (1944) werkte 41 jaar bij de algemene landbouworganisatie in de provincie Gelderland¹. Eerst als economisch-sociaal voorlichtster in de Oost-Veluwe en in het rivierengebied. In de jaren negentig kreeg zij te maken met het begeleiden van projecten op het gebied van milieu en water. In dit verhaal vertelt zij over belangrijke veranderingen in het werk. Het flexibel kunnen werken in deze organisatie sprak haar aan. Daardoor en door de regelmatige bijscholingen heeft zij zich steeds kunnen ontwikkelen.
‘Ik had verschillende functies, maar bleef bij de landbouworganisatie, 41 jaar. Toen ik kinderen kreeg werd het anders. Ik ging de zaken anders organiseren en minder werken, drie dagen in de week. Toen ik alleen kwam te staan ging ik weer volledig werken. Dat kwam toevallig goed uit, omdat er uren vrij kwamen. Deze periode was pittig, maar ik had makkelijke kinderen en een goede oppas. Het werken betekende voor mij een afleiding. Ik voelde me verbonden aan de organisatie en er was flexibiliteit. Soms waren het lange dagen, maar ik kon ook naar de school van de kinderen als dat nodig was. Bovendien werkten we in die tijd veelal vanuit huis.
Het was veel avondwerk. Zeker in het begin op de Veluwe. Toen woonde ik midden in het gebied en dat was iets makkelijker dan in de periode in het rivierengebied. Ik werkte in het hele rivierengebied, ook in de Bommelerwaard. En als ik ’s avonds een cursus had in Brakel, was ik soms pas om twaalf uur thuis.
In de begintijd dachten cursisten vaak nog dat zij overdag niet konden deelnemen aan een bijeenkomst of cursus. Ze gaven aan dat, als het overdag was, ze dan niet deelnamen. De planning ging daarom in wisselwerking met elkaar. Later werd het makkelijker. In de organisatie hadden we gelukkig wel de afspraak dat we de volgende ochtend niet meteen om acht uur achter ons bureau hoefden te zitten.
Wat in die tijd ook bij ons werk hoorde en waar we veel tijd aan besteedden, was het schrijven van bezwaarschriften. Regelmatig deden we dit bij wijzigingen van bestemmingsplannen. Bij de invoering van het melkquotum in 1984 kwamen er extra aanvragen voor het schrijven van bezwaarschriften. Wij traden ook op bij calamiteiten, zoals bij de evacuatie van het rivierengebied tijdens de hoogwatersituatie in januari 1995.
Op een gegeven moment was het zo dat voor advieswerk betaald moest worden. Het werk veranderde en nieuw was voor mij het uren schrijven en targets halen. Dit had te maken met de fusies van de landbouworganisaties in de jaren negentig. Eerst fuseerden de drie landbouworganisaties in de provincie Gelderland. Daarna volgden fusies met organisaties uit de provincies Zeeland en Brabant, daarna met Overijssel en het noorden. Voor het voorlichtingswerk had dit niet direct gevolgen. Iedere keer dat er een reorganisatie kwam, verplaatste het kantoor. Eerst zaten we in Arnhem, later in Wageningen. Het werd anders geleid en daar moesten we aan wennen. Maar het waren geen schokkende veranderingen.
Ik kwam terecht bij de afdeling Beleid en Projecten en volgde hierover een leergang. Ik werd projectmanager op het gebied van water en milieu. Het waren projecten samen met de provinciale overheid en/of gemeentes en waterschappen. Het ging over milieuvergunningen op de boerenbedrijven en waterbeheer in de regio. Over water volgde ik ook de ontwikkelingen met betrekking tot het plan Ruimte voor de Rivier. Mijn taak was de mensen in de plaatselijke werkgroepen bij te staan.
Ik heb niet speciaal iets waar ik trots op ben en ook niet iets waar ik spijt van heb. Maar als ik met de kennis van nu terugkijk, denk ik: het ging wel heel goed in de landbouw. Maar hebben we het misschien een beetje te veel gepusht allemaal? De banken sprongen erop in, en de veevoerleveranciers niet te vergeten. Banken gingen soms wel heel ver.
Ik vond het fijn dat ik eerst op de Veluwe kon gaan werken. In het begin had ik vooral contact met mensen van de algemene organisatie. Soms ook met collega’s van de katholieke en de christelijke landbouworganisatie. We deden toen dezelfde dingen, alleen de een met het ABTB²-label en de ander met het CBTB³-label en wij met het Gelderse label. Later gingen de organisaties samen en was het in wezen veel handiger. Toen ik na een aantal jaren terugkwam in het rivierengebied, was de voorlichting inmiddels anders geworden. Beide gebieden hadden eigen kenmerken. Voor dit werk scheelde het wel dat ik een achtergrond van een boerderij had. Ik kon me goed inleven in hoe dingen soms konden lopen.
Ik vond het boeiend werk, want ik had te maken met het leven en de ontwikkelingen op het platteland. Ik heb nooit spijt gehad dat ik dit ben gaan doen. Ik vond het contact met de mensen leuk en belangrijk. Ook het contact met alle organisaties eromheen vond ik interessant. Het waren boeren en boerinnen. Maar ook organisaties zoals de provincie, de gemeentes, de waterschappen en accountantskantoren. Dat ik mensen kon helpen sprak me aan. Ik ben bij één organisatie gebleven en kreeg ruimte voor bijscholingen. In die zin bleef ik steeds andere dingen doen die ik wat meer ging uitdiepen.’
Voetnoten:
Jeanne van Poppel, CC-BY