In de periode tussen 1200 en 1600 bestonden er elf vrouwenkloosters die voortkwamen uit een Gelderse Stichting.* Deze conventen boden onderdak aan 1.289 vrouwen, van wie van 1.030 met zekerheid bekend is dat zij tot de adel behoorden. Zij waren afkomstig uit het Graafschap Gelre (Gulik) en Zutphen en vertegenwoordigden samen circa 530 adellijke families.
De familie van adellijke dames bepaalde vaak al op zeer jonge leeftijd of de dochters voorbestemd waren voor een huwelijk of voor een religieus leven. Bij een huwelijk ging de erfenis van de dochter, waaronder onroerend goed en vermogen, over op haar kinderen. Hierdoor bestond het risico dat familiebezit op den duur zou versnipperen.
Wanneer een dochter intrad in een klooster kon haar bezit, afhankelijk van het testament en vooraf gestelde bepalingen, na haar overlijden weer worden teruggevorderd door de familie. Uit onderzoek blijkt dat een aantal families meerdere dochters lieten intreden.** Deze dochters werden regelmatig verspreid over meerdere conventen. Waarschijnlijk kon de familie hiermee haar invloed vergroten. Anderzijds kan dit ook wijzen op individuele wensen van de vrouwen om volgens een bepaalde orderegel te leven. Met name in de twaalfde en dertiende eeuw kozen een aantal welgestelde en adellijke dames bewust voor een leven van vrijwillige armoede en wereldverzaking.
Het blijkt uit onderzoek dat in ongeveer de helft van de gevallen het geschonken persoonlijk bezit na overlijden terug kwam bij de familie. Het was hierbij bepalend onder welke status dit bezit door het convent werd verkregen. Als dit gepaard ging met een dos (intredegeld), dan bleef het bezit eigendom van het convent. Een andere mogelijkheid was een prebende, een bepaalde hoeveelheid goederen en/of gelden die gedurende haar verblijf aan de religieuze ter beschikking werd gesteld voor haar persoonlijk levensonderhoud.
Het persoonlijk bezit kon tijdens hun leven verder worden aangevuld, bijvoorbeeld door opbrengst uit de prebenden, door een ouderlijk erfdeel of een erfenis van een broer of zus zonder nakomelingen. Stedelijke instellingen probeerden aan de verdwijning van onroerende goederen ‘in de dode hand’ paal en perk te stellen. Het bracht inkomstenderving met zich mee, omdat deze niet konden worden belast. In 1435 en in 1441 verbood de Gelderse Hertog geestelijken de verwerving van onroerend goed. Dit verbod herhaalde hij in 1469, 1496, 1516 en 1532. Ook de heer van Bergh vaardigde in 1454 een dergelijk verbod uit voor kloosterlingen. In het ontwerp-landrecht van het Overkwartier uit 1564 werd deze bepaling overgenomen.
Religieuzen van de Norbertijner en Cisterciënzer orden legden een kloostergelofte af van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Deze mondialen*** hadden in principe niet de vrijheid om het klooster te verlaten. Toch hield men zich niet altijd aan deze strenge regels. Sommigen verbleven buiten het klooster of hielden zich niet aan de verplichting om ‘s nachts in de gezamenlijke slaapzaal te slapen.
De hertog van Kleef probeerde in het klooster Bedburg de religieuzen strengere regels op te leggen. Hij dreigde dat als zij hier niet aan wilden voldoen, de goederen van het klooster zouden worden ingenomen. Niet alleen de religieuzen protesteerden, maar ook hun adellijke families - waarschijnlijk omdat zij in de loop der jaren veel in het klooster hadden geïnvesteerd. De religieuzen beriepen zich op hun jeugdige intrede. Zij wensen niet belast te worden met “ongewoenliker zwaricheijt off scerpicheit”. Zij wisten stand te houden en in 1519 veranderde het klooster Bedburg in een wereldlijk stift. Ook het convent in Susteren was aanvankelijk een benedictijns klooster en veranderde in de veertiende eeuw in het kapittel Sint Salvator, een wereldlijk stift.
Dankzij hun persoonlijk bezit konden religieuzen een relatief financieel onafhankelijk leven leiden. Toch kon intrede ook grote gevolgen hebben voor het religieuze en dagelijkse leven van deze adellijke dames, zeker omdat deze keuze al op jonge leeftijd voor de vrouwen werd gemaakt (vaak al voor hun twaalfde jaar). Deze vrouwen moesten zich onderwerpen aan de soms strenge bepalingen van het klooster.
Vrouwen die in een (wereldlijk) stift verbleven als kanunnikessen**** hadden echter meer vrijheid. Zij hadden vaak een eigen woning en waren niet verplicht om uitsluitend binnen de kloostermuren te verblijven. Ook hadden zij altijd het recht om terug te keren ‘in de wereld’. Zeker de helft van de conventen die voortkwamen vanuit de Gelderse Stichting waren, bleven of werden een (wereldlijk) stift, zoals: Keizerbosch (vanaf oprichting; wordt na 1605 klooster van de Norbertinessen), Susteren (vanaf 1312), Bedburg (vanaf 1519), Thorn (vanaf de oprichting), Elten (vanaf de oprichting), Ter Hunnepe (na 1570).
* De elf Gelderse stichtingen
De volgende stichtingen ontstonden door directe stichting of nauwe financiële betrokkenheid. Gelderse dochters werden hierheen gestuurd:
- Stift Thorn, gesticht 972
- Kapittel te Elten, vóór 973
- Kapittel Sint Salvator Susteren, vanaf 1348 genoemd als wereldlijk stift in document, van oorsprong Karolingisch
- Stift Bedburg bij Kleef, vanaf 1201 (graaf Otto I betrokken)
- Klooster Marienhorst Ter Hunnepe bij Deventer, omstreeks 1266
- Gravendaal bij Goch, gesticht 1248
- Keizerbosch nabij Roermond, gesticht begin 13e eeuw
- Zennewijnen bij Tiel, gesticht 1229
- Sint Gerlach te Houthem, vanaf 1345 nonnenklooster
- Klooster Maria Magdalena te Nijmegen, gesticht ca. 1228 / 1344?
- Munsterabdij te Roermond, gesticht 1224 door Gerard III van Gelre
** Families met veel ingetreden dochters
Een paar opmerkelijke namen zijn: Van Brederode met vijf kanunnikessen4 dochters in Thorn, van Broekhuizen met tien mondiale3 dochters verspreid in de regio, van Eijll met veertien mondiale dochters verspreid, van Kerpen met acht kanunnikessen dochters in Elten of Thorn, en van Dorth met zeven mondiale dochters verspreid. In totaal waren twaalf vrouwen uit het geslacht Van Isenburg stiftsjuffer in de kapittels van Thorn en Elten.
De genoemde aantallen kunnen meerdere generaties beslaan. Opvallend is dat Thorn, Elten en Susteren alleen toegankelijk waren voor de dochters van de hoge adel. Van Thorn is bekend dat er dochters al waren ingetreden op twee-, vier- en zesjarige leeftijd.
*** Mondiale dochters: ingetreden in een klooster, met vaak strenge leef -en vrijheidsbeperkende regels.
**** Kanunnikessen dochters: ingetreden in een stift, hebben minder strenge kerkelijke regels en kunnen altijd uittreden.
Olga Spekman, CC-BY
Geloof
1000-1500
500-1000