Klokgieters werkzaam in Gelderland

Proces van klokken maken en klokkengieter Geert van Wou

Nederland telt anno 2026 zo’n vijfduizend monumentale luidklokken. Vanaf de veertiende eeuw beschikten naast kerken ook veel steden over eigen klokken.

Ambulante klokkengieters

Vanaf de dertiende eeuw trokken de klokkengieters langs dorpen en steden. Zij waren ervaren in het werken met brons. Ze trokken tussen Aswoensdag en Allerheiligen het land door. Bij het ontbreken van opdrachten gingen zij terug naar hun werkplaats voor het maken van doopvonten, wijwaterbakken en kroonluchters, maar ook bronzen geschut.

Voor het maken van een grote klok maakten ze bij een kerk of kasteel in de buurt een grote gietkuil. Met behulp van een sjabloon maakten zij de wanden van de valse klokken. Veel vakmanschap was noodzakelijk om, zeker in deze omstandigheden, wel-klinkende klokken te kunnen gieten. Een meester hierin was Geert van Wou.

Goed klokkenspijs

Klokkenspijs is oorspronkelijk een metaallegering, voornamelijk bestaande uit ongeveer 75-80% koper en 20-25% tin. Soms, afhankelijk van de bron, bevat het ook kleine hoeveelheden zink, lood of ijzer. Deze legering wordt ook wel brons genoemd en is speciaal geschikt voor het gieten van klokken vanwege de klankkwaliteit en duurzaamheid. Door te variatie in het tingehalte kan men de tonen en klanken van de klok beïnvloeden. Hoe goed een klok klinkt is afhankelijk van de vorm van de klok en de samenstelling van het materiaal. De klokken waren soms kilometers ver te horen.

Iedere klok zijn eigen karakter, en vaak met een naam

Menig kerk, kapel of klooster bezat meerdere klokken voor verschillende doeleinden. De meeste klokken werden eerst gewijd. Pas na de wijding mochten ze bewonderd worden! De wijding vond plaats vóór een eredienst.

Uit onderzoek is gebleken dat in de late Middeleeuwen versieringen op de flank of in de tekstrand van de klok werden aangebracht. Men deed dit met was of met pelgrimsinsignes. Vóór het gietproces maakte de gieter met bijvoorbeeld een wasdraad een monogram op de klokmal. Een pelgrimsinsigne was in die tijd ook een geliefd object en bestond uit een legering van lood en tin. De naam of insigne werd op de klokmal geplakt en tijdens het gietproces smolten de opgebrachte materialen, zodat er een religieus teken, familiewapen, of de namen van de makers of opdrachtgevers overbleef.

Bekende klokkengieter Geert van Wou (circa 1450-1527)

Geert van Wou is verantwoordelijk voor vele klokken in binnen- en buitenland, waaronder in Gelderland. Hij werd een van de beroemdste klokkengieters van West-Europa. Hij goot vaak meerdere klokken voor dezelfde opdracht in een bepaalde periode, onder andere voor kerken. De klokken hadden hierdoor eenzelfde profiel en klokkenspijs, maar de afmetingen waren zodanig gekozen dat zij een keurige toonladder vormden. Het diatonisch gelui is door Van Wou ontwikkeld. Hij stond hierin op eenzame hoogte.

Van Wou’s leermeester was Gobelinus Moer. In 1477 goot de jonge Geert van Wou met zijn leermeester drie klokken voor de Eusebiuskerk in Arnhem. In 1480 vestigde van Wou zijn vaste werkplaats in Kampen. Zware klokken werden echter vaak ter plaatsen gegoten, omdat de slechte wegen vervoer onmogelijk maakten.

Zo heeft Geert van Wou in 1496 drie klokken gegoten in opdracht van graaf Oswald I in s’Heerenbergh. Zij zijn gegoten in de modderwei bij het kasteel Bergh. De klokken waren zo zwaar dat ze niet in de kerktoren konden. Daarom liet graaf Oswald I op het kerkhof aan de noordoostkant van de kerk een vrijstaande houten klokkentoren voor de drie klokken bouwen. Deze klokkentoren is in 1821 afgebroken. De klokken hebben nog gehangen in de klokkenstoel op de zolder in de kerk. In 1897 zijn de klokken verkocht aan de nieuwe St Pancratiuskerk die toen net afgebouwd was. Daar worden ze nog steeds geluid.

Ook in de Stevenstoren in Nijmegen is nog een klok van Geert van Wou aanwezig uit 1483. Het Utrechtse klokkengilde luidt nog regelmatig de zeven zwaarste Geert van Wou-klokken in de Domtoren van Utrecht. Naast klokkengieter was Geert van Wou ook sinds 1497 geschutgieter van de Hertog van Gelre.

Invordering van de klokken

In oorlogsperioden, waaronder de tachtigjarige oorlog, de napoleontische tijd (omstreeks 1800) en de Tweede Wereldoorlog, werden klokken, vanwege hun geschikte materiaal, vaak ingenomen en omgesmolten tot oorlogswerktuigen. In de Tweede Wereldoorlog bestond er in Doesburg hiervoor een klokkendepot. In Hamburg verdwenen veel klokken uiteindelijk in smeltovens.
Ook werden in de oorlogsjaren regelmatig kerktorens vernietigd, omdat deze zouden kunnen dienen als uitkijkpost voor de vijand. Vlak na de Tweede Wereldoorlog werden de kerktorens weer opgebouwd en de klokken vervangen. Vaak was het klokkenspijs vanwege het ontbreken van goede grondstof van mindere kwaliteit.

Bronnen:


Rechten

Olga Spekman, CC-BY

  • Industrie

  • 1000-1500

Relevante links

Verwante verhalen

Lees meer

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

info@mijngelderland.nl

Inschrijven nieuwsbrief

mijnGelderland Sociale media

erfgoed gelderland

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

E info@mijngelderland.nl