Boerin Jo Jonas heeft lange staat van dienst in bestuurlijke functies

De belangen voor het platteland hebben haar prioriteit

In haar bungalow in Oene tijdens een mooie zonnige voorjaarsmiddag spreek ik met Jo Jonas (1949). Zij kijkt terug op een intensief leven als boerin die opging in haar bestuurlijk werk. Niet alleen was zij een van de eerste vrouwen in het bestuur van de landbouworganisatie Gelderse Maatschappij van Landbouw (GmvL). Ook reisde ze jarenlang met boerinnencabaret door de provincie.

Op speelse wijze bracht ze de toehoorders praktische kennis bij over land- en tuinbouw op gezinsbedrijven. Toen ze jong was deed ze uiteenlopende cursussen, gevolgd door een volwaardige beroepsopleiding die ze met enkele andere vrouwen in haar buurt organiseerde. Later was ze tien jaar raadslid in de gemeente Epe waar Oene deel van uitmaakt. Daar behartigde ze de agrarische belangen. Daarvoor ze trad ze ook op grote landelijke actiedagen op tot aan de Tweede Kamer toe.

Het boerenbedrijf nabij de IJssel heeft ze begin deze eeuw verlaten mede vanwege het hoogwaterspreiding project ‘Ruimte voor de rivier’ dat toen in ontwikkeling was. Nu woont ze samen met haar man afwisselend in Oene en Hornhuizen in Noord-Groningen waar hun zoon het veebedrijf heeft voortgezet.

Van ouderwets naar vooruitgang

Jo Jonas vertelt. “Op ‘Zuidwijk’, een boerderij oude stijl, groeide ik op als oudste met drie zussen en een broer. We hadden water uit de pomp en elektriciteit sinds de jaren veertig. We werden gewassen in een teiltje met warm water van de kachel. De jongste mocht eerst. Het water werd aangevuld met warm water uit het keteltje totdat iedereen aan de beurt was. Daarna werd het gebruikt om de was te weken. Maandag kwam er iemand helpen met de was die gedaan werd in een tobbe met een borstel. Opoe die bij ons woonde hielp veel. Toen haar dochters negen en elf jaar oud waren werd ze weduwe. Zij heeft door hard te werken het boerenbedrijf weten voort te zetten in de economisch moeilijke jaren voor en in de oorlog.

Ze was heel verbaasd toen ze de eerste keer een uitkering kreeg en zei ’Wat mok noo toch, ik krieg zo maor geld. Waor heb ik dat an verdiend?’. Opoe stimuleerde me Toen ik nog een klein meisje was stimuleerde opoe me met ‘Jo’tje dat kun ie ook wel, help mie maor effe’. In de Streekverbetering kwam er begeleiding door provinciale consulentes. Het doel was de hygiëne en de veiligheid in het voorhuis te bevorderen. Zo kwam er kraanwater en een douche, en ging de was in een wastrommel met daarnaast een centrifuge.

Ook kregen we een trap naar boven naar het deel van de hooizolder dat werd ingericht met twee slaapkamers. Om die verbeteringen te laten zien organiseerde de Bond van Plattelandsvrouwen open dagen bij ons thuis. Zo kreeg ik een stukje mee van de vooruitgang waarvan mijn moeder voorstander was. Op het bedrijf deed mama de kalfjes en het handmelken van de koeien en ze was druk met de huishouding en alles daaromheen. Maar ze was wel betrokken bij wat er op het bedrijf zakelijk aan de hand was. Wat er werd besloten, dat deden mijn ouders samen. Toen Oene in 1964 een eigen afdeling van de Bond voor Plattelandsvrouwen kreeg werd mijn moeder daar actief.

Typewerk voor vader

Toen papa secretaris was voor de Gelderse Maatschappij van Landbouw (GmvL) afdeling Oene. vond hij het lastig om alles op tijd klaar te krijgen. Ik werkte inmiddels bij de molen hier in Oene toen hij zei ‘Jo’tje, als jij de convocaties voor ons maakt, dan scheelt mij dat veel werk’. Ik had een typediploma en met carbonpapier ertussen probeerde ik zes convocaties in één keer te tikken. Dat deed ik op kantoor van de melkfabriek De Hoop hier in het dorp waar een typemachine stond op de kamer van de directeur. Voor mij was het een hele ervaring en werd er verwend met koffie. Bij de molen ben ik als 16-jarige begonnen. Ik wilde kraamverzorgster worden. Er was veel werk bij oom Koos van de ‘Mölle’ en papa zei toen ‘Kan jij niet beter daar op kantoor gaan werken?’. Wel moest ik mijn Middenstandsdiploma halen. Zo is het gekomen dat ik altijd cursussen ben blijven volgen.

Interesse in de landbouw

Bij Jong Gelre, de vereniging voor jonge boeren en boerinnen, kwam ik in het bestuur van Epe-Oene terecht. Eerst als secretaris en daarna als voorzitter. Daardoor was ik afgevaardigde naar het ringbestuur en kwam zo in het provinciaal bestuur als afgevaardigde van Noordoost-Veluwe.

Op die manier werd ik betrokken bij het 125-jarige jubileum van de Gelderse Maatschappij van Landbouw. Als jongeren kregen we een behoorlijke plaats op het grote evenement op Presikhaaf in Arnhem. Ik mocht daar Jong Gelre vertegenwoordigen. Daar waren voor mij de ontmoeting met de toenmalige koningin Juliana en een officieel diner de hoogtepunten.

In 1971 trouwde ik met Gerrit en na een poosje werd ik lid van de Plattelandsvrouwen. Een jaar later werd ik bestuurslid en daarna voorzitter van de afdeling Oene. Ze hadden al een handwerkclub, een gym- en beter-bewegen-club en een fiets- en een leesclub. Maar wij vonden dat er ook een club voor agrarische vrouwen moest komen.

Zo is de Boerinnengroep Oene en omstreken ontstaan waarin we samenwerkten met de Sociaal Economische voorlichters (SEV) die vrouwengroepen op het platteland begeleidde. Daar kreeg ik contact met Ank Tap, die mijn moeder kende van de Streekverbetering. Ook Anneke Kok, werkzaam op de Veluwe, en Willemien Hennink die de Achterhoek als werkgebied had, heb ik via de Sociaal Economische voorlichting leren kennen.

Eigen opleiding georganiseerd

De kort daarvoor opgerichte Agrarische tak van de Plattelandsvrouwen bood praktische cursussen zoals Ken de koe en Kalveren opfok. We waren zo enthousiast over hetgeen wij leerden, dat we net als anderen een middelbare landbouwschool wilden gaan doen. Maar om daarvoor helemaal naar Zwolle te reizen vonden we te ver. We besloten de landbouwwinterschool in Zwolle te vragen of we een opleiding in Epe konden gaan doen. Een paar leraren wilden wel naar Epe komen, maar dan moesten er minimaal achttien studenten zijn.

Binnen de kortste keren hadden we er zestien. Met drie jongens erbij hadden we genoeg deelnemers. De opleiding duurde twee winters, net als destijds de dagopleiding met ongeveer hetzelfde programma. We hebben allemaal ons diploma gehaald in 1987.

Cabaret over landbouwkundige kennis

Als Boerinnengroep wilden we aan voorlichting gaan doen. We hadden kennis van de cursussen Ken de koe en Kalveropfok met daarnaast onze algemene agrarische kennis van de beroepsopleiding. Op een komische cabaretachtige manier hebben we die kennis overgebracht. We hadden bijvoorbeeld een koe nagemaakt om te laten zien hoe je kunt helpen bij de geboorte van een kalf. Het leerzame werd afgewisseld met rustige momenten. Met zijn drieën hebben we alle informatie verzameld en gebundeld in het Groene Groeiboek.

Met auto’s vol paperassen en het ludieke decor gingen we langs bij afdelingen van de Plattelandsvrouwen. In een akkerbouwgebied moest je met een ander programma komen dan in een gebied met melkvee of intensieve veehouderij. In het programma was er tussendoor een rustig moment met een gedicht of een stukje muziek. Ik mocht het aan elkaar praten. De anderen konden zich dan verkleden en het decor aanpassen.

We gingen op bezoek bij de afdelingen in Gelderland en Overijssel en brachten boerinnencabaret onder de titel Licht op groen. We mochten ook optreden op provinciale dagen en even later werd het cabaret op een landelijke dag opgevoerd voor Kamerleden op het Binnenhof in Den Haag. In die tijd hebben we met de Boerinnengroep ook geregeld dat agrarische bedrijven meer voorlichting kregen van dierenartsen. We hebben afgesproken dat zij bedrijfsbezoeken gingen doen gericht op bedrijfscontrole- en onderzoek naar drachtigheid bij koeien.

Via Jong Gelre in bestuur Gelderse Mij van Landbouw

Via verkiezingen in 1983 kwam ik in het bestuur van de GmvL. Het was een echte mannenwereld. Er was een tegenkandidaat. Na een aanbeveling van de voorzitter van onze afdeling en bijval van de afdeling Eerbeek-Brummen werd ik als vertegenwoordiger van de regio Oost-Veluwe gekozen. Het was een organisatie waar ik eerst met mijn oren stond te toeteren. Bij de standsorganisatie hoorden ook bedrijfsoverdrachten, pachtzaken, verzekeringen en een eigen boekhoudbureau. Dan was er de sociaaleconomische voorlichting en natuurlijk alle sectoren zoals melkvee, pluimvee, varkens, akkerbouw en boom- en fruitteelt. Ook het Landbouwschap was vertegenwoordigd bij onze vergaderingen. We hadden bij de overheid de nodige en actuele inbreng en een grote stem. Het waren heel veel nieuwe onderwerpen zoals markt- en prijsbeleid en de bijbehorende maatregelen. Dat was allemaal best pittig. Alleen met de SEV, sociaaleconomische voorlichting en bedrijfseconomische voorlichting had ik ervaring.

Als vrouwelijk bestuurder in mannenbolwerk

De enige andere vrouw, Joke Termeer die in het bestuur zat, heb ik maar heel kort meegemaakt bij de Gelderse. Dus ik zat daar al snel als enige vrouw. Ik had als voorzitter van de provinciale en later landelijke Agrarische Commissie van de Plattelandsvrouwen niet alleen bestuurlijke ervaring opgedaan.

Ook was dat een goed netwerk van vrouwen die maatschappelijk actief zijn. Als je je in een bestuur wilt bewijzen dan moet je weten waar je het over hebt. Ik zorgde ervoor dat ik goed ingelezen was en wist waar ik het over had. En wanneer ik een idee had waar ik iets over moest zeggen dan gebeurde dat gewoon.

Als goede bestuurder kun je opkomen voor de belangen van je achterban, voor de belangen van de vrouw, of voor de belangen van het algemene. Het belangrijkste uitgangspunt voor mij is: verantwoordelijkheid voor en deelname aan de samenleving te bevorderen. Mijn belang is jouw belang, is ons belang.

Enerverende tijden

Als bestuur hebben we alle ontwikkelingen van mogelijke samenwerkingen meegemaakt. Het was een enerverende tijd. Uiteindelijk is in 1993 de GmvL opgegaan in ZMO en in 1997 werd het GLTO Nederland (Gewestelijke Land- en Tuinbouw Organisatie), die samen LTO Nederland vormden. Ik heb altijd gezegd: Landbouw behartigen, dat doe je gemeentelijk, provinciaal, landelijk en op Europees niveau. Want daarmee heb je de connecties. Voor de leden van een grote organisatie wordt de stem kleiner en de afstand alleen maar groter. Ik had onder andere de Commissie Water onder mijn hoede. Toen in de winter van 1995 de hoogte van het rivierwater zo snel steeg dreigde de Betuwe te overstromen was dat een heel spannende tijd. Alle dieren en mensen moesten worden geëvacueerd.

Op het Crisiscentrum Evacuatie van de Bommelerwaard in Tiel zaten we met zijn tweetjes als vertegenwoordigers van de Gelderse. Op weg daarnaartoe vanaf de Veluwe kwamen al die evacuees me tegemoet rijden. Dat was een huiveringwekkend gezicht, allemaal bepakt en bezakt. Ik weet nog dat ik om twee uur 's nachts een telefoontje kreeg van een huilende boerin waar men het vee vergeten was. Om zeven uur 's morgens stonden daar de vrachtwagens klaar. Dat was geregeld via het crisiscentrum op het Provinciehuis in Arnhem waarmee wij in Tiel rechtstreeks contact hadden.

Veel koeien zijn op de Veluwe en in de IJsselhallen in Zwolle ondergebracht. Toen wij zelf in 2001 te maken kregen met de MKZ (mond-en-klauwzeer) -crisis zijn wij geholpen door boeren uit het Rivierengebied. Eén van hen zei ‘Jullie hebben ons zo goed geholpen bij de evacuatie van de Bommelerwaard waar alles goed is gekomen. Wij moeten nu jullie ondersteunen’.

Hier in de buurt brak die MKZ-crisis uit. Waarschijnlijk via een kalf dat uit Engeland kwam. In 1991 is door de EU besloten niet meer te vaccineren tegen het MKZ virus. Dit was vanwege het belang van de export van vlees naar buiten Europa. Als lid van de melkveehouderij-commissie van de landbouworganisatie ZMO (zuid, midden, oost) heb ik me daar destijds tegen verzet met uiteindelijk een tegenstem. De meerderheid koos vóór.

Toen werd het 2001 en hebben wij die erg verdrietige MKZ crisis in ons gebied meegemaakt. Het eerste geval van het ziekteverschijnsel MKZ (mond- en klauwzeer bij evenhoevige dieren) was hier dichtbij. Het gebied ging volledig op slot en er kwamen controles door politie en defensie. Niemand mocht het erf verlaten en niemand mocht op het erf worden toegelaten uit angst voor een besmetting. Het was voor ons en alle boeren hier in de streek rampzalig en emotioneel zwaar dat hun vee moest worden gedood. Ook de melk mochten we niet meer leveren en ging regelrecht de put in. Via de zuivelindustrie hebben we geregeld dat we toch ons melkgeld uitbetaald kregen.

Bestuurlijke ambities geërfd

Wanneer je de kwaliteit van de samenleving wilt bevorderen dan begin je bij jezelf. Dat is me ingegeven door mijn oma van mijn vaderskant, opoe Dalhuisen. Zij was goed op de hoogte van politiek en het welzijn van mensen.

Wij als kleinkinderen waren altijd erg nieuwsgierig naar haar verhalen. Als zij destijds in de gemeenteraad had kunnen zitten dan had ze dat graag gedaan. Maar in haar tijd wilden ze daar geen vrouw. Ik dacht wat voor oma niet mogelijk was dat wil ik wel gaan doen.

Tien jaar mocht ik het werk als volksvertegenwoordigster voor de gemeente Epe doen. Het was Erica Terpstra die me enthousiast maakte voor de VVD. Ook in de gemeenteraad was ik bezig met de belangen van de kleine dorpen en het platteland, die aandacht moesten krijgen.

Terugblik

Het was geen bewuste keuze om boerin te worden. Ik leerde Gerrit kennen en daardoor ben ik boerin geworden. Ja, en het was best zwaar in die tijd, want je was en vrouw, huisvrouw, boerin en bestuurder. En je had je gezin. Dus het moest allemaal wel doorgaan.

Het voordeel van boerin zijn is dat er altijd wel iemand thuis is voor de kinderen. Thuis steunden ze me en waren ze best trots op wat ik deed. Zo heeft mijn moeder een plakboek met knipsels uit kranten en tijdschriften bijgehouden van al mijn activiteiten waarover is gepubliceerd.

Het hoogtepunt voor mij van mijn bestuurlijke werk waren de jaarlijkse landelijke agrarische vrouwendagen van de Agrarische Commissie van Plattelandsvrouwen. Je kon daar zoveel belangstellenden bereiken, want er waren altijd drie- tot vierhonderd mensen aanwezig.

Ik kan me herinneren dat we een grote dag hadden in Ede, de RAI in Amsterdam en in Den Haag in het Congrescentrum. Daar hebben we met vier vrouwen inleidingen verzorgd. Daarna hebben we de mars gemaakt naar het Binnenhof om aan toenmalig minister Van Aartsen van Landbouw de petitie ‘Wij zijn het zat’ over het mineralenbeleid aan te bieden.

Al met al mocht ik meewerken, aan de voorwaarden voor de verbetering van zelfstandigheid en daardoor versterking van de positie van agrarische vrouwen in de samenleving. Mede daardoor kunnen vrouwen gemotiveerd voor de algemene belangen van de boerenbevolking en het platteland opkomen.”

Dit verhaal is opgetekend n.a.v. interview met Jo Jonas voor het project Educatie en Emancipatie op het platteland van de Werkgroep Oral History Gelderland.


Rechten

Willy Brouwer, Werkgroep Oral History Gelderland, CC-BY-SA

  • Educatie en Emancipatie

  • Personen

  • Werk

  • Landbouw

  • 1950-2000

  • Epe

Relevante links

Verwante verhalen

Lees meer

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

info@mijngelderland.nl

Inschrijven nieuwsbrief

mijnGelderland Sociale media

erfgoed gelderland

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

E info@mijngelderland.nl