
Marietje Reijrink ontmoette Gerard Weenink van Erve Kots op het Ruiterbal van de Groenlose Vestingruiters en die avond werd het wat. Zij trouwde in 1960 met “haar boer”. Samen bouwden zij voort op het authentieke erfgoed van openluchtmuseum en boerderij. Later werd dit de zeer aansprekende combinatie van museum en herberg Erve Kots. Bijna 55 jaar later kijkt ze samen met Gerard in hun woning aan de Eimersweg in Lievelde terug op alle ontwikkelingen.
In juni 1960 waren vader en moeder Weenink 50 jaar getrouwd en ze vierden dat in 't “losse hoes”. De receptie was buiten of in ’t ontvangstlokaal, dat weet ik niet meer precies. In ieder geval werd het eten ’s avonds in het losse hoes geserveerd. Daar stonden grote gedekte tafels klaar. Voor die tijd hadden we alles goed schoongemaakt. Kort daarna in juli 1960 zijn we getrouwd. Toen wij 25 jaar getrouwd waren in 1985 hebben wij ons feest op de Daele van Erve Kots gevierd, die was toen net klaar.
Als de dag van vandaag herinner ik mij de eerste Paasdag 1961. Op mijn manier had ik 's middags nog wel lekker gekookt dacht ik. Ik kon het eten zo ongeveer op tafel zetten toen het belletje ging, er mensen binnenkwamen die tot een uur of drie, half vier, Gerard aan de praat hielden. Vader had Gerard gevraagd met die mensen naar het museum te gaan voor een rondleiding. En dat is ook alles wat er die dag geweest is. Maar ik zat wel met het eten dat koud was, verpieterd zelfs. Ik moet er wel bij vertellen dat het ging om de familie Van Heek uit Enschede. Het was ook niet de eerste keer dat zij kwamen. Anneke van Heek had ik al eens eerder gezien toen ik vader koffie bracht in ’t museum. Toen ik terugkwam bij Gerard zei ik: “Wee dat is wet ik neet, maor ik kan wal zeen dat ’t ne dame is”. Ze zat zo helemaal rechtop met haar tas voor zich op schoot en luisterde aandachtig naar vader Bernard.
Toen wij trouwden dacht ik toch werkelijk dat ik met een boer trouwde! Heel raar is dat. Ik wilde graag huishoudlerares worden, maar dat zat er financieel niet in. Toen heb ik een andere opleiding gedaan en deed ik mijn hele jonge leven kantoorwerk. Maar als ik vrij was dan zat ik altijd bij m’n broer op ’t land. Daar werkte ik graag, ik had een broertje dood aan huishoudelijk werk. Heel verschrikkelijk vond ik dat. Toen ik met Gerard trouwde hadden wij van alles: varkens, kippen en ook melkkoeien. Wij woonden waar nu de herberg is, gewoon in 't eerste gedeelte. De ontvangstruimte was tevens onze woonruimte. Weet je wat we toen hadden? Alleen het ontvanglokaal, een keuken daarachter, maar die was toen wel helemaal nieuw. Wij hadden zelfs een elektrisch fornuis met daarnaast ook nog een kolenfornuis. Alles was prachtig betegeld en er waren mooie kastjes. Het was gewoon één groot mooi geheel. Maar dat was dus onze woonkamer/-keuken, het was echt alles wat we hadden.
Boven hadden we slechts één slaapkamer plus een heel grote zolder. Nou dat was het dan. En achter hadden we nog een kleine ruimte, waar veel eierkisten stonden van ons vermeerderingsbedrijf. Dat was nodig om alles goed uit te zoeken. 's Morgens als we opstonden dan ging dat zo: eerst samen melken, want om zeven uur moest de melk al aan de aan de weg staan. Dan ging ik de varkens voeren en Gerard ging naar de kippen om die te verzorgen. Meestal was ik met varkens voeren iets eerder klaar en had ik het eten klaar en dan gingen we samen eten zo tegen een uur of acht. Dan hadden we 't meeste werk voor die dag al gedaan. Er kwamen wel eens bezoekers door de week. Het gebeurde ook wel dat er mensen kwamen die dan tegen ons zeiden “Komt hier wel eens iemand”. Het meeste bezoek kwam op zondag.
Ik ben begonnen met het schenken van een kopje koffie. Verder hadden we weinig of niets aan te bieden, behalve dan een snee krentenbrood of zoiets. Langzamerhand kwam er steeds meer volk. De mensen kregen vaker vakantie, er kwamen betere tijden voor een ieder in de jaren zestig en zeventig. Gerard had altijd wel de gedachte om het allemaal een beetje groter te maken. Hij bedacht van alles, was heel goed in het maken van bouwplannen en hij verzamelde in de streek veel originele bouwmaterialen. Wij hebben er heel lang over gedaan om die zaal erachter te zetten. Voordien kwam je meteen al de zaal binnen, dat is de ruimte waar je nu binnenkomt rechts. Alles was toen nog gewoon één geheel, de gang bestond toen nog niet. Later werd die muur ertussen gezet. Toen hadden we dat eindelijk klaar en kwam er nog meer volk, het werd drukker en drukker.
Het werd tijd voor een dienstbode, die kwam er, maar ondertussen had ik ook al een of twee kinderen. En op een gegeven moment ging dat zo, we hadden al minder kippen, ook minder varkens en uiteindelijk hadden we nog maar één koe. Als ’s avonds de bezoekers weg waren dan keken wij elkaar aan zo van: wie van ons beiden gaat nu de koe melken? Gerard was moe van de hele dag praten met mensen en ik was moe van het rondsjouwen. En de kinderen waren er. Op ’t laatst ging het dan zo wanneer Gerard terugkwam van museum Erve Kots in de herberg dat ik dan tegen hem zei: “Gerard i-j mot naor de weide die koo melken wi-j hebt gin melk meer veur de pannekoeke”. Dan gebeurde het dat Gerard midden op de dag de koe zat te melken. Die koe bracht tenslotte niet meer genoeg op, daarmee konden we de pannekoeken niet meer bakken.
Die allerlaatste koe is naar Gerards ouderlijk huis aan de overkant gegaan en wij namen van hen de melk weer af. Zo hebben we ook van hen de eieren afgenomen en later de kaas. Zo begon het ineens hard te gaan, begin zeventiger jaren echt heel hard. In 1972 zijn we ook begonnen met de bouw van onze nieuwe woning naast de herberg. De jaren 70 tot 90 van de vorige eeuw zijn werkelijk de beste tijd geweest. Geleidelijk aan werd het allemaal minder.
Overal kwamen meer restaurants en andere uitgaansgelegenheden. Hier in Lievelde kwam “Binnenpret”. De bussen die altijd kwamen, dat werd allemaal minder, want de mensen hadden bijna allemaal een auto en gingen daarmee dan vaak op pad. Tegenwoordig vormen hier de zaterdagen en de zondagen nog altijd wel het hoogtepunt, de zondagen nog meer dan de zaterdagen. Als je de geschiedenis nagaat, vroeger toen vader Weenink begon kwamen de mensen met de fiets maar ook nog te voet. Er bestond een halte Erve Kots voor de bus. En er kwamen ook veel bussen uit Duitsland. Daarna hadden de mensen een auto, dan komen ze daarmee en dan komen er minder bussen. Die bussen komen nog wel in het voor- en najaar maar ’s zomers gaan de mensen naar het buitenland. Op dit ogenblik hebben de mensen allemaal eigen vervoer en ook veel tijd, ze kunnen overal naar toe en ook ver weg.
Wij zijn ontzettend druk geweest. In die tijd hadden wij soms drie, vier bruiloften per week. Het werd dan ’s avonds heel laat terwijl we ’s ochtends weer vroeg op moesten. De toeristen kwamen van alle kanten, de bussen ook. Het moest allemaal in elkaar passen en het moest goed gaan. Ja nou, ik was eigenlijk overal tegelijk. De telefoon beantwoordde ik en ik kookte altijd zelf voor bruiloften. Eigenlijk deed ik alles in de herberg. Gerard deed vooral de rondleidingen in het museum, deelde zijn kennis met anderen en regelde daar de boel. Hij bracht sfeer. Als het heel druk was in de herberg en het liep uit dan zei ik hem: "To, Gerard spöl nog efkes stukskes op de monika want ik heb ´t etten nog niet klaor". Dat soort dingen, zo ging dat allemaal. Jazeker zijn wij een echt en hecht team. Waar de een minder goed in was, dat vulde de ander aan of omgekeerd. Onze dochter Annemarie heeft weleens gezegd: "Pap en mam jullie waren een geweldig span met elkaar". Ja je kunt wel heel wat opbouwen als je het samen doet, absoluut wel ja. Maar er zijn ook dagen geweest dat ik weleens dacht: ik zou willen dat het hele spul in de lucht vloog. Wat denk je.
Maar de volgende dag was ik dan wel blij dat alles er nog stond. Natuurlijk. Het was hard werken en plezier met elkaar hebben. En het is ook zo, dat als het feest voorbij was, wij altijd nog even bij elkaar gingen zitten. Nooit hebben wij ons erop laten voorstaan dat wij de baas en de vrouw waren. Met z’n allen vormden we gewoon een team, zonder uitzondering. Goed en toegewijd personeel hadden wij. Zo deden wij dat altijd, als het feest voorbij was en de boel opgeruimd dan zeiden we: Jongens! Er werd afgerekend met de kelners en de bediening. Dan nog een tijdje bij elkaar zitten en tijd nemen om na te praten over alles wat er gebeurd was die dag. We dronken een borrel met elkaar en pas dan gingen we naar bed, ook al was het ’s nachts twee uur, half drie. De dag moest dus goed afgesloten worden met een nazit.
Gerard zegt weleens: “Ik heb nog nooit zovölle vrouwleu naor huus ebracht as in den tied”. Maar dat deed ik dus ook. Ik weet nog goed dat ik een keer midden in de nacht door de politie werd aangehouden. Toen hadden we een of andere kleine partij gehad en een van de meisjes die tot het eind was gebleven was eerder met de fiets vanaf Lichtenvoorde hier naar toe gekomen. ’s Avonds moest ze dan wel weer naar huis. Al was ik ’s avonds nog zo moe, toch ging ik er dan nog eventjes uit. Het speelde wel een rol dat ik graag auto reed. Even in de auto zitten en even iemand wegbrengen ’s avonds laat. Dat was gewoon ontspanning voor mij, zo kon ik wel een beetje ontladen nietwaar. Dus die avond zat Lucy voor in de auto, de fiets kwam in de kofferbak en wij samen op weg. Vlak voor Lichtenvoorde kregen we de politie achter ons aan. Wij moesten stoppen. En toen was het: Lucy uit de auto, de fiets uit de auto. De vraag werd gesteld: “Waar komt u vandaan”? Ik zeg: “Nou ik moet dat meisje even thuisbrengen want ze is met de fiets gekomen, heeft vanavond gewerkt etcetera”. Lucy droeg nog het zwarte jurkje en zo meer en de politie geloofde het direct ook wel hoor. Maar toch hadden ze het in eerste instantie wel raar gevonden dat ik daar met de fiets achterin de kofferbak midden in de nacht rondreed. Ze zullen wel gedacht hebben dat er een fietsendief voor hen uitreed. Ach ja, zo ging dat allemaal in die tijd.
Nu ik vandaag de dag terugkijk dan ben ik van mening – en zo denken wij er allebei over – dat wij het met elkaar allemaal goed hebben doorstaan. Wij waren altijd erg druk. Een deel van de tijd waarin de kinderen jong waren ben ik zelfs helemaal kwijt in mijn geheugen. Pas later realiseerde ik me dat ik in die toptijd niet bewust onze kinderen heb zien opgroeien. Maar het mooiste is wel dat we tot nu toe altijd een heel goede band hebben met onze kinderen. Ze komen allemaal graag hier in huis en ze komen ook vaak. Allebei zijn we daarover erg blij.
Dit verhaal is vastgelegd door vrijwillige interviewers van de Oral History Werkgroep Gelderland en Stichting Historische Boerenerven Gelderland. De verhalen zijn in 2016 gepubliceerd door Landschapsbeheer Gelderland en Erfgoed Gelderland in het boek 'Gelderse verhalen van boeren, burgers en buitenlui. 70 jaar plattelandsgeschiedenis.'. Mede gefinancierd door Prins Bernhard Cultuurfonds en de Nationale Postcodeloterij.
Ina Brethouwer, CC-BY-NC