Van Arnhemse rentenier naar slavenhandelaar in Berbice

Johannes Hendrik Lodewijk Maurenbrecher

Johannes Hendrik Lodewijk Maurenbrecher (1780?-1842) was rentenier van beroep. In 1833 kocht Maurenbrecher een stuk van landgoed Dreyen (nu Dreyeroord, Oosterbeek) van de St. Nicolai Broederschap in Arnhem. Zijn welvaart had hij te danken aan de koloniale connecties die zijn familie in stand had gehouden.

VOC en slavernij

De familie Maurenbrecher was nauw betrokken bij de Nederlandse koloniale gebieden. Een voorouder van Johannes Hendrik Lodewijk Maurenbrecher, waarschijnlijk zijn grootvader, staat in het Nationaal Archief genoteerd in de index van VOC-opvarenden. Deze Johan Hendrik Ludwig Maurenbrecher trad op 12 januari 1758 in dienst als sergeant, en maakte tot 1763 verschillende reizen naar Batavia. Bij terugkeer in Nederland handelde hij in koloniale goederen die deels afkomstig waren uit plantages, zoals suiker. De VOC handelde op grote schaal in slaafgemaakten in het gebied rond de Indische Oceaan. Deze Maurenbrecher kon tijdens zijn carrière bij de VOC dus niet om het lot van de personen in slavernij heen, maar omdat hij zijn eigen welvaart zag stijgen besteedde hij hier geen aandacht aan.

Koloniale welvaart

In een inventaris waarin deze Maurenbrecher optrad als voogd wordt de koloniale welvaart van zijn omgeving verder verduidelijkt. De persoon in voogdij bezat onder meer talloze katoenen artikelen, van beddengoed tot ‘een paar fijne katoenen kousen’. Soms staat er een specifieke regio bij een bepaald product genoemd, zoals Oost-Indische kistjes of een Japans kabinetje. Door te handelen en mee te varen met de VOC kon Johan Hendrik Ludwig dus een flink fortuin vergaren, waardoor hij steeg op de maatschappelijke ladder. Zowel het materiële bezit als de sociale status werden meegenomen in latere generaties van de familie, waar onder meer de negentiende-eeuwse Johannes Hendrik Lodewijk Maurenbrecher van profiteerde.

Berbice, Guyana

Johannes Hendrik Lodewijk Maurenbrecher was een particuliere slavenhouder in Berbice, in het huidige Guyana. Hij bezat dus geen plantages, maar verhuurde personen in slavernij aan plantagehouders. Berbice was eerst in Nederlands bezit, maar werd in 1814 overgedragen aan Groot-Brittannië. Maurenbrecher was een van de Nederlanders die na de overname nog bezittingen had in dit gebied. Toen de Britten in 1834 de slavernij afschaften en compensatie aan slaveneigenaren uitkeerden, ontving Maurenbrecher dus ook een financiële vergoeding.

Verhuurde personen

Bij de compensatieclaim van Maurenbrecher staat dat hij in 1834 dertig personen in slavernij bezat. Ten tijde van de compensatie bevonden zij zich op koffieplantage Buses Lust and Resolute. Deze mensen waren onder erbarmelijke omstandigheden vanuit Afrika naar Berbice verscheept, net voordat de Britse regering in 1808 de trans-Atlantische slavenhandel verbood. Deze slaafgemaakten hadden een leeftijd van rond de twintig jaar en werkten als timmerman of veldwerker. De werkdruk in Berbice was zeer hoog, zelfs in vergelijking met andere koloniën. Omdat het gebied daarnaast moerassig was en men op blote voeten moest werken kwamen ziektes hier veel voor. In Berbice waren de sterftecijfers onder personen in slavernij dan ook het hoogste in het negentiende-eeuwse Caribisch gebied.

Vergoeding

Maurenbrecher staat bij de compensatieclaim beschreven als ‘absentee’. Dit betekent dat hij in 1834 niet aanwezig was in de kolonie. Hij kon zelf dan ook niet de informatie voor de compensatieclaim verstrekken. Zijn broer, Frederik Maurenbrecher, (1786-1834) verbleef op dat moment wel in Berbice. Frederik had tevens een claim van een persoon in slavernij openstaan. Hij had zelf dus ook baat bij het indienen van de juiste informatie. Frederik stierf nadat hij deze informatie had doorgegeven, waardoor zijn deel van de vergoeding in 1835 bij zoon Frederik Louis Maurenbrecher terecht kwam. Hij was in 1818 geboren in Berbice, maar werd in 1838 aangesteld als Majoor der Genie binnen de landmacht in het voormalige Nederlands-Indië. De familie Maurenbrecher was in verschillende gebieden dus nauw betrokken bij het kolonialisme- en daarmee bij de slavernij.

Dreyeroord

De koop van een deel van landgoed Dreyen valt samen met de afschaffing van de Britse Slavernij in 1833 en de daarmee samenhangende compensatie die slavenhouders vanaf 1834 ontvingen. Hoewel archiefmateriaal hier geen uitsluiting over geeft, is het dus goed mogelijk dat de opbrengst hiervan in dit landgoed is gestoken. Tegelijkertijd was deze Maurenbrecher in eerdere jaren al rijk geworden door te investeren in koloniale gebieden, en had hij deze compensatie wellicht niet eens nodig voor de aanschaf van dit landgoed. Volgens Justus Gerardus Swaving, die in 1812 in Berbice verbleef, had Maurenbrecher in deze periode al veel welvaart vergaard door zijn aandeel in de slavernij. Door de koloniale banden die hijzelf en zijn voorouders hadden opgebouwd kon Johannes Hendrik Lodewijk Maurenbrecher veel rijkdom verwerven.

Deze serie sporen over ‘gecompenseerden’ uit Gelderland is tot stand gekomen dankzij een samenwerking met de opleiding Geschiedenis van de Radboud Universiteit. Lees het andere verhaal van Inge Kleefman hier.

Bronnen en verder lezen:


Rechten

© Inge Kleefman, CC-BY

Relevante links

Vond u dit artikel nuttig?

Kenmerken

  • Sporen van slavernijverleden
  • Oost - West
  • 1700-1800
  • Arnhem
  • Arnhem e.o.

Plaats

Location on map

Verwante verhalen

Lees meer

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
Team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

026-3521690
info@mijngelderland.nl

Inschrijven nieuwsbrief

 

mijnGelderland Sociale media

erfgoed gelderland

Contactgegevens

Erfgoed Gelderland
team mijnGelderland
Westervoortsedijk 67-D
6827 AT Arnhem

T 026-3521690
E info@mijngelderland.nl